maandag 31 mei 2010

Dat komt later nog wel (10)

Ik wilde vroeger schrijver-spreker worden. In dat vak (dat toen nog niet bestond en nu nog steeds niet bestaat) is het de bedoeling dat je een tekst schrijft en vervolgens die tekst voorleest. Waar? Anywhere. Ik stelde me voor dat mijn talent het beste tot zijn recht zou komen in bijvoorbeeld musea en kunstgaleries. De Vereniging van Nederlandse Kunstenaars zou me een briefje sturen met de vraag: kunt u een tekst schrijven voor de opening van een expositie van het jongste werk van ons lid, kunstenaar X. U mag die tekst, die wij niet hoeven te zien vantevoren, zelf komen voorlezen in Galerie Q te Amsterdam.
Maar ik had al gauw door dat het een onzekere broodwinning was. Ik werd zetter, toen ik eenmaal volwassen geworden was. In de grafische industrie waren toen verschillende goede bazen te vinden, en ik vond ze.
Ik heb later, toen ik achter Galerie Wimmenum te Egmond aan den Hoef kwam wonen en bevriend raakte met de galeriehouder, wel verschillende keren opgetreden als schrijver-spreker. Ik herinner me een openingsmiddag van een Noordhollandse schilder, met wie ik een paar dagen eerder gesproken had. Hij vroeg me: ‘Hoogeboom, met vier o’s? Dan komt u zeker uit Nibbixwoud! Daar heb ik nog gewoond!’ Ik kende Nibbixwoud van een verre oudtante, die daar geboren was. Het praatje op de openingsmiddag handelde over het wedervaren der Nibbixwoudse School door de jaren heen. Dat praatje begon ongeveer zo: ‘Dames en heren! Als u met zijn allen twee meter verder van mij af wilt gaan staan, dan kunt u mij even goed horen, en besmet ik u niet met het coronavirus. Ik ben verkouden.’ (Ik was inderdaad verkouden, die middag.)
Mijn rol als schrijver-spreker bleef beperkt tot dit soort aangelegenheden. Zeker nadat ik in 1998 mijn eerste herseninfarct kreeg. Toen ben ik helemaal met het spreken gestopt, ik bedoel met het voorlezen van mijn teksten.
Nu schrijf ik alleen nog maar dit soort tekstjes.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen