vrijdag 12 augustus 2011

Het bureau

Toen ik nog werkte als zetter in een drukkerij (‘Dat is toch een veel te lage baan voor jou,’ zei iemand eens, waarop ik antwoordde: ‘Wat moet ik dan anders gaan doen?’ ‘Maar je leest zoveel!’ ‘Ja, maar dat doe ik voor mijn plezier,’ zei ik) waren er twee dingen waar ik me mee bezig hield. De klanten die een krantje of een folder moesten hebben en die naar mij gestuurd werden, wat ik altijd zeer prettig vond: na een kort gesprekje over dat krantje of over die folder wist ik meestal wat voor lettertype en indeling ze gehad hadden willen hebben. Het tweede was de overhang van de letters (dat noemen ze tegenwoordig de kerning), die ik voor alle lettertypen die in huis waren wilde automatiseren. Denkt u maar eens aan een woord als KETELVISSERS. Het zou beter zijn als er tussen die L en die V iets minder ruimte zou zitten. Dat verbetert de leesbaarheid.
De drukkerij groeide gestaag en er werd een ‘werkvoorbereider’ aangenomen. Een werkvoorbereider is iemand die niets toevoegt aan het productieproces, maar die aan een bureau zit en de klanten ontvangt. Hij is het porum van de drukkerij, zei de baas. Sja. Het gevolg was dat ik niet meer rechtstreeks met de klanten praatte over hun folders of kranten. Het gevolg was ook: diverse fouten en vergissingen, door dat gebrek aan contact.
Die werkvoorbereider kwam op een gegeven moment bij me, want hij had een stuk opgesteld waarin puntsgewijs werd gezegd hoe het in een drukkerij zou gaan. Dat stuk moest ik even zetten. Ik las dat stuk en sloeg achterover van de domheid. Ik ging naar de baas en zei: ‘Hier is een stuk van je oen. Ik weiger dit soort onzin te zetten. Ik verdom het om mee te werken.’
Deze gebeurtenis doet me denken aan deel 3 van J.J. Voskuil’s Het bureau, het beste deel van de zeven, naar mijn smaak. Ik heb de afgelopen week, liggend in een ziekenhuisbed met een kleine nierinfectie, de eerste drie delen van Het bureau weer eens herlezen. In dat deel 3 beschrijft Voskuil hoe hoofdpersoon Maarten Koning steeds maar weer aanloopt tegen het contact met andere mensen op zijn bureau. Hij is daar voortdurend zeer ontevreden over, heeft hoofdpijnen, maagpijnen etc. Hij heeft ruzies, maar is ook daar ontevreden over.
Toen ik dat zo’n vijftien jaar geleden voor het eerst las, ‘herkende’ ik zoveel dingen. Niet in dat bureau an sich, want daar hield men zich bezig met de zeis, de wieg, de ploeg, of men een trouwring rechts of links draagt etc. Men maakte zich dik door ‘wetenschappelijk’ over zulke tradities te praten en te schrijven.
Maarten Koning had er geen hoge hoed van op. Hij had ook geen grote dunk van zijn medewerkers op het Bureau. Het had allemaal geen zin, vond hij. ‘Als je ons bureau ziet als een inrichting, wordt vanzelf al het andere normaal,’ zegt hij ergens.
Datzelfde had ik kunnen zeggen over de drukkerij. Ik had minder moeite dan Maarten Koning met de contacten met mijn medemensen, ik werd alleen laaiend als er weer meer bureaucratie werd toegevoegd of als er weer iemand met huiveringwekkende domheid kwam aanzetten.
Ik deed mijn overhang-werk ’s avonds. Totdat ik in een diepe depressie belandde, geraakt door het onzinnige van mijn werk.

dinsdag 12 juli 2011

Zelfbeeld

‘Dit heeft mijn zelfbeeld zó veranderd!’ hoor ik sommige dames (en heren, helaas ook) uitroepen. Ze kijken teveel in de spiegel, denk ik dan.
Een ‘zelfbeeld’ is al iets wat ik niet heb van mezelf. En zomaar veránderen doet dat zelfbeeld al helemaal niet. Waar denkt u aan bij een ‘zelfbeeld’? Ik denk dan aan grijze haren, een baard, een bril, mijn hersenen, mijn taalgevoel.
Maar bij TLC (een nieuwe omroep, die helaas ’s avonds Animal Planet vervangt) bestaat het nog: je zelfbeeld verándert zomaar! Ze lieten bijvoorbeeld zien hoe een jonge vrouw middels ademhalingsoefeningen er weer bovenop kwam, na een interventie van een zeer blanke politieagente: ‘Justice has been done.’ Ik weet niet wat haar overkomen was, een verkrachting, een aanranding of een gebbetje.
Whatever. Zoiets zou toch niet je ‘zelfbeeld’ (wie dat woord heeft verzonnen, zou gevangenisstraf moeten krijgen) moeten veranderen, maar bijvoorbeeld het beeld dat je van bijvoorbeeld Turken of Somaliërs of Nederlanders of Duitsers had?
Als je primitief denkt, bedoel ik.

dinsdag 5 juli 2011

Zelf abstracte kunst maken

In 1985 woonde ik in een zomerhuisje achter een kunstgalerie. Ik woonde er mooi, het was er zeer rustig, midden tussen de groenten, het gras met wat bloemen en onkruid en een paar bomen. Ik had een zeer lieve buurvrouw, met wie ik wel wat had willen aanvangen, maar dat ging niet door: ze was lesbisch. De eigenaar van de kunstgalerie was zelf ook kunstenaar en een man die niet kon schrijven, maar wel kon rekenen. Ik hielp hem vaak (hond uitlaten, passen op de galerie als hij even weg moest, stukjes schrijven over de exposerende kunstenaars, voor de krant, en later ook voor het eigen maandblad).
Het is jammer dat er niets meer over is van die tijd: de galerie is in 1997 of ’98 failliet gegaan, en van dat maandblad heb ik ook niets meer in huis. Ik sprak veel met de regionale kunstenaars, ik bezocht ook hun ateliers, en dat doe ik nu ook niet meer. Dat is eigenlijk jammer, want ik vond het, bijna zonder uitzondering, zeer aardige mensen, ook als hun werk me niet aanstond.
1985 was het Jaar van De Vele Pottenbakkerij, het was ook het Jaar van de Abstracte Schilderkunst. Tenminste, in Noord-Holland. Het was het jaar waarin je kunstkenners kon horen zeggen: ‘Dat oranje in een Mark Rothko... hemels!’ Dat ik zulke mensen niet meer in mijn kennissenkring heb, bedroeft mij veel minder.
Er kwamen in de galerie toen geregeld mensen van het KCB (Kunstenaarscentrum Bergen) buurten. Ze kochten nooit iets, maar ze dronken wel je koffie op, gingen langs de schilderijen en hadden dan geleerde commentaren zoals: ‘Tja. Dit werk is, lijkt mij, hoe zal ik het eens zeggen, niet consequent genoeg.’ Ik hoorde dat dan en ik was beleefd, dus ik zei er niets op terug, maar ik dacht wel: stik toch in je consequentie!
Ik besloot toen dat het tijd was om de dames en heren er eens in te laten tuinen. ‘Peter,’ zei ik (Peter was de galeriehouder), ‘geef mij tien lijstjes, maat: ruim A4. Met tien passe-partouts. Tien vellen stevig papier. Een stuk of wat kleuren acrylverf, een kwast en een liniaal!’ Dat gaf Peter me, ik kon aan het werk. Ik ging abstracte kunst maken. Hoe doe je dat dan, zult u vragen. Het is werkelijk zeer simpel: knijp een paar kleurtjes uit op je papier, roer er een beetje in met je kwast, en beweeg je liniaal in de kleuren, totdat je denkt: dit kunstwerk is klaar! Zo vervaardigde ik, met groot plezier, tien abstracte kunstwerken. Het schilderproces duurde niet langer dan een half uur. Ik legde die tien vellen buiten in de zon, en toen aan het einde van de dag alles droog was, ondertekende ik de tien vellen met: ‘A. Petrescu, 1965 – No title’.
Ik had een persoon bedacht, Andrej Petrescu, een Roemeen (ik dacht: daar weten de mensen niets van, van Roemenië) en kunstschilder, die zijn land was ontvlucht en naar Parijs was vertrokken. Zijn zaakwaarnemer, een Fransman van Galerie La Boucle te Parijs, was met tien van zijn werken naar Egmond aan den Hoef gekomen, waar ze geëxposeerd zullen worden van zo laat tot zo laat.
Ik schreef ook een uitnodigingsbrief aan het KCB: kom vooral langs voor deze Petrescu! Geweldig werk, dat ook nog eens zeer goedkoop is! Voorts schreef ik in mijn Boerenfrans, Engels en Nederlands een c.v. van Petrescu, met zinsneden zoals ‘Het MOMA te New York heeft in juli 1982 vier werken van A. Petrescu aangeschaft, waaronder zijn beroemde Verwoesting.’
Peter richtte zijn galerie in met mijn tien kunstwerken en met, meen ik, pottenbakwerk van weer iemand anders. De mensen van het KCB kwamen, dronken koffie, en waren overdonderd door het werk van Petrescu. Vlot kochten ze er acht van, voor in totaal f 1200,-. Peter en ik deelden de opbrengst, en we gingen, met onze uitgestreken gezichten, naar de kroeg.
Ik heb er nog één van, van die tien kunstwerken. U moet maar eens langs komen.

Vitamine C

Het komt steeds maar weer op: vitamine C is goed voor je. Minder dan een halve eeuw geleden was het goed tegen kanker. Daar was het dus niet goed voor, want je kon je beter laten opereren.
Nu is het weer een blaasontsteking, waaraan een overigens zeer geëerd lidmate soms lijdt. Daartegen helpt vitamine C natuurlijk ook niet: zie dit artikel.

Limburg

Ik heb het al eerder gezegd: een provincie zoals Limburg hoort nauwelijks bij Nederland, die hoort meer bij België. Dat aanhangsel  van Nederland moet er dan ook maar aan geloven, lijkt mij. Vlamingen, Belgen! U krijgt van ons, om niets, het economisch superactieve Zuid-Limburg, onder de lijn Thorn-Roermalen. Dus u verkrijgt dus alles, tot en met Klein Kuttinge, het zuidelijkst gelegen dorpje.
Daarvoor in de plaats hoeft u niets te doen, u hoeft geen regering te vormen of zo. Welnee. Zegt u gewoon maar: ja.

Ongemijterd gebleven

In de 14e eeuw was er een Jan van Bronkhorst, edelman en geestelijke (dat ging toen soms nog samen), die graag bisschop van Utrecht wou worden. In 1322 werd hij tegengewerkt door graaf Willem III van Holland, en toen hij het weer probeerde, in 1340, was er graaf Willem IV van Holland die het niet wou.
Op Wikipedia staat deze regel: ‘Jan van Bronkhorst bleef dus proost en stierf ongemijterd.’ Een mijter, dat is het idiote, maar dat wist u wel. Sinterklaas, juist! Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat die regel op Wikipedia door een fijne katholiek is geschreven.
Ongemijterd sterven, wat zou dat betekend hebben voor onze Jan? Behalve dat hij weinig macht en aanzien had gehad in zijn leven, moet het ook zijn geweest: met weinig kans op zalig- en zelfs heiligheid na zijn dood. Dat soort dingen kon je toen, bij wijze van spreken, kopen van het Vaticaan. Nietwaar,  je had eens een visioen als bisschop, en je werd heilig verklaard. Of je legde je hand op het hoofdje van een jongetje en je zei ‘Je bent genezen! Om Gods wille!’ of iets dergelijks – heiligheid verzekerd.
Maar dat gebeurde dus allemaal niet met onze Jan. Hij stierf ongemijterd.

zondag 26 juni 2011

Vegetarisch eten

Op de Olympische Spelen van 1908 te Londen won Emil Voigt (1883-1973) de 5 mile. Die werd vervolgens gecorrigeerd tot 5000 en 10.000 meter. Zoiets absurds als de Engelse mijl werd afgeschaft. Het zou de heer Voigt overigens niets gescheeld hebben, hij was toch de sterkste. Hij was, zeg maar, de Abebe Bikila van die jaren.
Emil Voigt was een uit Duitse ouders geboren Engelsman, geboren in Manchester en op 90-jarige leeftijd gestorven in Auckland (Nieuw-Zeeland). Hij at geen vlees, hij was een vegetariër.
De Hoeders der Nieuwzeelandse Schapenkuddes zullen het wellicht niet met mij eens zijn, maar zet een standbeeldje van Emil Voigt neer!

zondag 12 juni 2011

Op droeve toon (79)

- Dag Duifje.
- Dag Bennemans. Je ziet er niet erg betrouwbaar uit.
- Nee, dat spijt me ook. Ja, zie je, ik heb nu driekwart fles port op en...
- Schotse port!
- Ja, zo noemden we dat.
- Je moet ook niet zoveel aan die port zitten!
- Maar het is zo lekker, lieverd, en het vult me en het maakt me minder aan het huilen.
- Dan moet je het drinken! Drink dan die hele fles maar leeg. Hoe laat moet je er morgen uit?
- Een uur of tien, misschien.
- Geen minuut later, dan. Heb je nog iets waarop je je kunt verheugen?
- Ja, om elf uur begint er een finale Murray tegen een atletische Fransman, Tsonga, op BBC 1. Tennis.
- Gefeliciteerd daarmee dan!
- Grrr. Ja! Jij ging dan je stichtelijke werkzaamheden voor je kankerpatiënten doen. Ik heb overigens net, huilend, een bericht op het kankernetwerk gezet, van Ilse Strijbos, die mij daarom vroeg.
- Ilse!
- Ja. Je bent nog niet vergeten, dame.
- Heerlijke gedachte.
- Dat vind ik ook, lieverd. Weet je wat? Ik doe er een stukje bij van Christobal de Morales. Slaap lekker, lieverd.
- Jij ook, lieverd. Hoe ver ben je met je fles Schotse port?

zaterdag 11 juni 2011

Op droeve toon (78)

- Dag Duifje.
- Dag Bennemans.
- Ik praat vanavond nog maar even met je, want morgen is er een Dag van Nationale Rouw.
- Ja, dan ben ik er precies een jaar niet meer. Hoe gaat het eigenlijk met je?
- Wat zal ik zeggen. Ik ben alleen, gelukkig kunnen wij nog een beetje met elkaar praten, maar het is niks gedaan, vind ik, zonder jou in mijn omgeving.
- Kook je wel goed?
- Ja, dat doe ik nog steeds. Ik maak veel visgerechten, want de kip is tegenwoordig zeer verdacht. Van het varken at ik al nooit iets, zoals je weet, en van het koebeest eet ik zéér weinig. Ik eet veel schelvis, schol, zalm enzovoorts. Ik weet wat je wilt zeggen: ‘Laat Wouter het maar niet horen!’ Maar ik eet ook regelmatig alleen groenten, met bijvoorbeeld ellepijpjes, dat is een soort grove macaroni, en daar doe ik dan een sausje met lekker veel sambal overheen.
- En wat heb je vanavond gegeten?
- Ik heb mezelf vanavond eens verwend. Ik heb een biefstukje in fijne reepjes gesneden, nou ja, je weet wel: geknipt. Want zonder een schaar ben je hulpeloos in de moderne keuken. Een pannetje groenten gemaakt: ui, paprika, prei en sperzieboontjes. Een sausje van Indonesische kruiderij en sojasaus gemaakt. En toen de hele boel bij mekaar gemikt. Het was zeer lekker!
- En je gezondheid?
- Die is matig, lieverd. Mijn hart doet het nog maar nauwelijks, en lopen? Ik kom bijna niet meer vooruit. Je weet nog wel, dat stukje naar de supermarkt, dat is maar 200 of 300 meter. Dat doe ik tegenwoordig in drie etappes, met pitstops tegenover de cafetaria en bij de makelaar op de hoek. Ik hoop maar dat ik in mijn slaap zal sterven, denk ik geregeld.
- Zo moet je niet denken! Wat voor muziek heb je voor me uitgezocht?
- Een stukje van Thomas Tomkins. Dat vond jij altijd zo mooi, en ik vond het ook prachtig. Maar ik kan er nu even niet naar luisteren.

donderdag 9 juni 2011

Op droeve toon (77)

- Dag Duifje.
- Dag Bennemans. Je hebt vast geen goed bericht, dat zie ik aan je kop.
- Nee, ik lees op Foxxblog het verhaal over zijn vader, die overleden is.
- De natuurlijke gang van zaken.
- Ja, maar toch. Mijn vader overleed in 1983, na een hersenbloeding met een coma. Hij lag eerst in het AMC in Amsterdam, later werd hij teruggehaald en kwam hij te liggen in het ziekenhuis in Alkmaar. Hij kwam niet meer bij kennis. Mijn vader was altijd een betrekkelijk vrolijke kerel, vond ik. Een gemoedelijke man. Iemand die je graag in je vriendenkring zou hebben. Hij was jarenlang ‘de loodgieter van Limmen’.
- Vertel verder.
- Toen hij terugkwam uit Indië, in 1951, trouwde hij meteen met mijn moeder en kocht hij een huis aan de Middenweg. Toen werkte hij nog bij Driessen, ook in Limmen. Iedereen vond dat ijzingwekkend, zomaar een huis kopen. Maar hij deed dat. Eind 1951 kregen ze een eerste kind, Jaap, dat op 4-jarige leeftijd aan leukemie is gestorven. Ik werd in 1953 hun tweede kind, en ik bleef leven, zoals nog diverse andere kinderen. Het huis werd te klein, de werkschuur achter het huis ook, dus moest er bijgebouwd worden. Er kwam een verdieping op het huis en er kwam een grote schuur achter het huis.
- Die schuur weet ik nog, Ben! Daar zaten vorig jaar april de meisjes en jongens te werken aan die mozaïeken, met die heerlijk geurende hyacinthen! Daar gaf je broer nog een paar takjes van mee.
- Ja. Broer Jaap. Die is een jaar of drie jonger dan ik ben, maar die lijkt heel veel op mijn vader: een enorm sociaal type. Ikzelf lijk meer op mijn moeder. Die ging een paar jaar na mijn vader. Ach God. Ikzelf was in die tijd ook zo depressief als dor hout.
- Dat ben je nu niet meer.
- Nee, nu niet meer. Godzijdank. Weet je dat mijn moeder en ik in de jaren 1977-’81 samen naar de psychiater gingen, in Heiloo? We hadden allebei dezelfde klachten: verregaande somberheid. Toen wisten die psychiaters nog niet dat het erfelijk kon zijn, maar ik wist het wel: mijn oma van moeders kant had het ook. Die had het minder dan mijn moeder, want mijn moeder heeft zich tenslotte zelf vermoord.
- Nu moet je maar stoppen, Bennemans. Wat voor muziek had je vandaag?
- Ik heb een stukje van Thomas Mancinus. Het klinkt wel optimisch.
- Dat mag ook wel. Voor deze ene keer.

dinsdag 7 juni 2011

Op droeve toon (76)

- Dag Duifje.
- Dag Bennemans, heb je je nieuwe monitor al?
- Die staat er, ja. Aangesloten en al. Ik moet nog wat plussen en minnen om het beeld precies goed te krijgen, want het is een breedbeeld. Het is een bijna angstwekkend mooi beeld, moet ik zeggen. Veel beter dan het beeld dat ik had. Hij geeft ook een prachtig geluid, want het eerste wat ik deed, was een stukje van William Byrd opzetten.
- Merk, prijzen, leverancier?
- Ik heb hem bij Wehkamp gekocht. Het is een HP monitor en die kostte me, inclusief vervoerskosten, € 150. Wehkamp is een goed adres, merk ik wel. Ze handelen een zaak goed en correct af. Je kunt ook zien hoe de status van je bestelling is.
- Wat bedoel je daar nu weer mee?
- Nou, je kunt op een Wehkamp-site precies zien hoe het ervoor staat. Dan staat er bijvoorbeeld: vervoerder heeft het pakket opgehaald. Even later: vervoerder is nu op weg naar het besteladres. Et cetera. Vervoerder moet wel wat moeite hebben gedaan om op mijn adres te komen, want de Voorstraat ligt opengebroken bij de Prins Hendrik Stichting.
- Die herinner ik me nog, ja, van onze wandeling door de duinen aan de zuidzijde van het dorp. Toen kwamen we vlakbij die Stichting uit.
- Jij zei toen: wat zijn alle mensen hier toch opgeruimd! Ze groeten elkaar, ze maken een praatje op straat. De buschauffeurs zijn in deze streek ook geweldig, vergeleken met die in Zuid-Holland.
- Ja, en dat meende ik.
- Egmond is inderdaad een paradijs om in te wonen, dat klopt. Ik bedoel, buiten het toeristenseizoen, want in het toeristenseizoen hoor je meer Duits and Derps praten, en is het ook zo verschrikkelijk druk in de supermarkt.
- Die supermarkt is ook al zo leuk! Daar was een kassameisje, Wilma, en die zei, nadat ze me al een paar keer had gezien: ‘Een nieuwe Egmondse erbij? Welkom, welkom!’ Ik voelde me gelijk opgenomen in Egmond, en dat had ik nooit eerder ervaren.
- Ja, de mensen gaan hier over het algemeen gemoedelijk, zeg maar: hartelijk, met elkaar om. De mensen zaniken hier nauwelijks. Het beste voorbeeld daarvan is mijn rechter onderbuurman, Reier Zwart. Die doet niks aan zijn tuintje, dus dat tuintje staat een meter hoog met onkruid en wilde grassoorten. Daar hebben zijn buren links en rechts natuurlijk last van, maar dat zeggen ze niet. Datzelfde zou in Alkmaar of in Limmen tot grote herrie hebben geleid. Hier niet. Hier zegt men: tja.
- Jij hebt geen tuintje, maar zou je wel een tuintje willen hebben?
- Ja, en ik zou dat tuintje laten verwilderen, want daar komen allerlei leuke insecten, vlinders, motten op af. Die zou ik willen fotograferen.
- Je hebt niet eens een fototoestel!
- Nee, maar daar zou ik wel een fototoestel voor kopen.

maandag 6 juni 2011

Op droeve toon (75)

- Dag Duifje.
- Dag Bennemans. Het is alweer een tijd geleden, jongen.
- Ja. Aan het eind van deze week ben je een jaar dood.
- Een jaar alweer...
- Ja. Ik denk ook niet meer elke dag aan je, lieverd.
- Dat hoeft ook niet, jongen.
- Ik heb wel die mooie zwartwit foto van je staan op de boekenkast. Die staat daar in zo’n wit houten lijstje, en daar kan ik nu naar kijken zonder dat ik tranen in mijn ogen krijg.
- Goed zo! En wat doe je zoal?
- Wij spraken soms ‘Frans’ met elkaar, weet je nog?
- Ja! Wat hebben wij toch een hoop plezier gemaakt, samen. La rascalle-au-teinte, dat was de tv.
- Ja. En nu heb ik een toespraak geschreven in het Frans, en die heeft Vrouwke gepubliceerd op haar blog.
- Leuk!
- Ja, en Oud Zeikwijf komt uit Frankrijk en die gaat er misschien een video van maken, want ze herkende in mijn tekst die énarque-stijl van praten. Zeg maar, het regerings-Frans.
- Da’s ook mooi. Is er nog iets op de rascalle-au-teinte geweest, de laatste dagen?
- Nou, gisteren was er die slechte film naar Kluuns boek, maar daar heb ik niet naar gekeken, want dat kan ik niet aanzien zonder dingen naar de tv te gooien. Ik wou er nog een stukje aan wijden, maar Max heeft al afdoende afgerekend met dat wanprodukt.
- Jij hebt toch nooit iets gelezen van Kluun?
- Nee, maar een mens weet aan de kop van de schrijver of hij een goed of een slecht boek geschreven heeft. Toen ik ook nog eens hoorde waar het boek over ging (vrouw krijgt kanker, man gaat vreemd), toen hoefde ik het al helemaal niet.
- Wij denken nog steeds over veel dingen hetzelfde. Wat voor muziek heb je vandaag?
- Ik heb geen muziek, want mijn monitor is kapot gegaan en ik zit nu naar een tien jaar oude monitor te kijken, waar geen geluid in zit.
- Heb je al een nieuwe besteld?
- Ja, en die komt morgen.

zondag 5 juni 2011

Discours

Marchés et marchettes. Chères marchettes.
Quand qu’on est en France, de Livres à Marseille, les tiquituées ne se parlent plus fort européennes. On dit: ‘Je naisse quoi!’ et, par évidence, c’est le mot cutranquilair.
Plus qu’on fit des pardoises, nonchalement, ou qu’on dit: ‘Oui!’, mais ce n’est plus chartirement. Chartirement: non, messieurs!
Contre les parqueus des mirands supérieures, j’insiste de pouvoir clattaquer, comme on dit, chères marchettes, la marche rapatulogue. La marche rapatulogue, oui! Par des institutions contribuelles où s’on ménage pas – ou à peine d’entrequier plus – à permédailloner les personnes quisables.
Que ce qu’on qualle, n’importe quoi, c’est de dire, chères marchettes, des convusiblements sûres. Mais la insécurité de ces quatrouples et la insécurité des points à tertres – c’est la coupelle d’égrave. La coupelle d’égrave, bien sûre.
La bitte d’on expecte, ce n’est pas faite-marine, aussi. Ha ha ha! Quelle bitte! S’arrangerez par quoi! Ou par qui, c’est ma question.
Chères marchettes, aai lufs you! Toutes à vous. Merci. Aai lufs you all. De n’emprêtre les conseignements d’Albert, c’est important d’oublier: Un. Le cas de Gérard, et Deux: Le cas de Simon.
Clairtainement. Je vous remercie, quoi q’on vive ou viverai!


(par: Benjamin Hautarbre.)

woensdag 25 mei 2011

Christendom

Wanneer, wanneer zal het gebeuren?
Vandaag of morgen, heel misschien,
dan zal het hemeldek gaan scheuren,
en krijgt u Jezus nog te zien.


Zo droomt vergeefs nog menig christen.
Wij moeten zeggen: ’t is helaas,
want wat zij nog niet wisten:
Jezus niet, ik ben de baas.


Engelbertus heet mijn firma
(klein begonnen maar nu groot
in Laos, Nepal, ook in Birma,
waar men rijst eet, maar geen brood).


Engelbertus zegt u: vanaf heden –
maakt plezier! Voor uzelf en uw gezel.
Dat is beter dan gebeden.
Daarvan krijgt u een gezwel.

woensdag 18 mei 2011

Doodgaan

Als je, zoals ik, geen dertig meer bent maar over de vijftig. Als je, zoals ik, diverse kwalen hebt waaraan je eens zult bezwijken, dan moet je het geluk hebben gehad van een voorbeeld. Ray Charles bezweek ook, in 2004, na een leven vol van de prachtigste muziek die er in de twintigste eeuw is gemaakt.
Da’s één voorbeeld. Het tweede voorbeeld is Alice, mijn geliefde, die vorig jaar overleed in mijn bijzijn. Doodgaan, sterven, is zo erg nog niet, heeft zij me geleerd. Het gaat niet gepaard met gekreun en met pijnlijke bewegingen (hoewel ze diverse kankers in haar lichaam had). Ze zei op die vrijdagochtend (haar laatste woorden): ‘Ik heb zo’n pijn, Ben.’ Dat was voor mij natuurlijk het teken om de dokter te bellen. Die kwam direct, en zo’n 10 uur later was ze dood. Kalm, rustig, waardig. (Opiaten.)
Zo’n betrekkelijk kalme dood wens ik iedereen toe, en zou ook ikzelf wel wensen. Ja, je kunt ook onder de tram komen, maar die hebben we gelukkig niet in Egmond aan Zee, waar men nog loopt en fietst dat het een aard heeft.
In elk geval: laat het niet in een ziekenhuis gebeuren. Laat me gewoon thuis overlijden. ‘Gestorven aan zijn verwondingen.’

dinsdag 3 mei 2011

John Higgins

Zoals ik twee weken geleden al schreef, is Judd Trump het nieuwe fenomeen op snookergebied. De manier waarop hij de ballen aanpakt, is ronduit geweldig. Zoals Ronnie O’Sullivan twitterde: het is scary. Je wordt er bang van. Zó aanvallend, zó gewelddadig.
Hij stond gisteravond in de finale van het wereldkampioenschap snookeren in Sheffield te spelen tegen John Higgins, die op de eerste dag ook versteld stond van Trump’s spel. Higgins stond 7-10 achter, en het had even goed 5-12 kunnen zijn.
De einduitslag, gisteravond, was 18-15 voor Higgins, die het aanvallende spel van Trump totaal ontregelde. Een grote prestatie. Zoals de commentatoren van de BBC meldden: een grootse finale. Dat was het zeker. Het was een gevecht tussen iemand die grootse pots maakte, en iemand die grootse series maakte.
Dat laatste kan Trump nog niet, maar hij is nog jong (21 jaar), hij leert snel, en hij zal zeker niet een tweede Jimmy White worden, die vier of vijf keer tweede is geworden. Judd Trump is een volgende wereldkampioen.

zaterdag 16 april 2011

Chloé Poizat

Dit is is nu eens een ontdekking: de kunstenares Chloé Poizat. Ze maakt geweldig werk, zie dit. Het maakt duidelijk waarom ik StumbleUpon nog steeds ongeveer driemaal per week gebruik, want daar kwam ik haar tegen.

dinsdag 12 april 2011

Beleefd links

Ik heb bijna mijn hele leven op de PvdA gestemd. Ik heb in het begin van de jaren zeventig een keer op de PSP gestemd, vanwege Fred van der Spek, maar later werd het de PvdA. Ik heb dat bijna altijd zonder een spoor van twijfel gedaan, ondanks het feit dat ik het lang niet altijd met ze eens was. Met de andere partijen was ik het nog veel minder eens. Zo gaat dat, democratie: wegstrepen.
Zo vond ik de hulp aan de IceSave-spaarders een typisch PvdA-staaltje. Dat had nooit mogen gebeuren, net zo min als de miljardensteun aan de Nederlandse banken die in de fout waren gegaan. Die kunnen waarachtig hun eigen broek wel ophouden, zou ik zo zeggen. En als ze dat niet kunnen, maak je een Nederlandse Rijks Bank. Maar je gaat geen geld stoppen in die rechtse hobbies, als linkse partij. Toch heb ik bij de laatste verkiezingen, raar maar waar, weer op de PvdA gestemd.
Ik ben nog van de generatie die mensen met een tweede huis verschrikkelijke mensen vindt. Ik vind twee auto’s al teveel, want je gaat maar met de trein. Als ik Tweede Kamerlid was, zou ik elke toespraak beëindigen met: ‘Maar een villabelasting kan natuurlijk niet!’ Zo’n soort socialist ben ik, bedoel ik.
Waar ik me de laatste jaren aardig kwaad om kan maken, dat is het gescheld van rechts op ons. Wij met onze linkse hobbies, de linkse kerk, het linkse machtsdenken enzovoorts. Natuurlijk bevat dat gescheld niets waars (altijd zaten het CDA of de VVD, soms met de PvdA in de regering), maar ik ben het eenvoudig zat.
Er zou eens een stroming binnen de PvdA moeten opstaan, die rechts gaat aanvallen. Niet langer meelullen, maar er tegen ingaan. Die, bijvoorbeeld bij dat geval in Alphen aan den Rijn, zegt: ‘De kogels kwamen van rechts!’ Waar ze trouwens ook vandaan kwamen, want o wonder, de schutter was een PVV-stemmer. Er zou ook eens een psychiater op de tv moeten komen, die zegt: ‘De schutter was een eng rechts mannetje. Of hij suicidaal was, kan ik niet zeggen. Wel kan ik zeggen dat hij zin had om een moordpartij aan te richten.’
Wij linkse mensen moeten met andere woorden eens wat minder beleefd worden. Minder knikken en buigen, maar een grote smoel opentrekken. Zoals we in de jaren zestig ‘Johnson moordenaar!’ riepen, moeten we nu ‘Rutte klungelaar!’ roepen. We moeten weer gaan demonstreren, en tussen de vele beschilderde lakens zie ik er hier een met ‘Maxime, rot op!’ en daar verdomd een met ‘Maar een villabelasting kan natuurlijk niet!’

vrijdag 1 april 2011

Kluun denkt ook dat er iets is

In het tv-programma Altijd wat (het is een titel die alleen gevonden kan worden wanneer je van de KRO of van de NCRV bent) bekende bestseller-schrijver (dus ook: slechte schrijver) Kluun – als je met zo’n naam door de wereld gaat, moet je wel een ongelooflijke eikel zijn – dat hij dan wel niet in een christelijke of mohammedaanse God geloofde, maar dat er toch wel iets moest zijn.
Ik heb direct na die uitspraak de tv uitgezet, want ik kan niet goed tegen zulk gezwets.
Als u ook in iets gelooft, dan gelooft u daar na deze simpele woorden niet meer in. Daar gaat ie. Dat iets of die God moet dus hebben bestaan, zeg maar, 13 miljard jaar geleden, bij het ontstaan van het universum. Toen schiep Hij dat universum. Vraag me of vraag niemand hoe Hij dat gedaan heeft. Hij schiep het universum, waarin ook zo’n 8½ miljard jaar later de aarde zou ontstaan.
Nu weten we uit de biologielessen allemaal dat het van simpel gaat naar meer ingewikkeld. Je hebt eerst bacteriën, dan vliegjes en pas veel later krijg je neushoorns en papayavreters.
Dat maakt het wel zéér onwaarschijnlijk dat er iets of een God is geweest, 13 miljard jaar geleden, in tijden dat er nog geen atomen bestonden bijvoorbeeld.
U zult dus uw ietsisme moeten opgeven.

donderdag 31 maart 2011

Kinderverkrachting

Het wordt niet eens gezien als een gewéldszaak in Nederland. Dat moet veranderen, en dat kan zo: ga naar deze site en schrijf u in.

vrijdag 25 maart 2011

Korter, korter, korter!

Vroeger, toen de computer nog niet bestond, schreef ik verhaaltjes in mijn brieven aan verscheidene personen. Met de tikmachine. En sommige verhalen heb ik ook bij gelegenheid wel verteld, want men zei me: ‘Dat verhaal dat je me laatst schreef, moet je komen voorlezen!’ en dat deed ik dan soms. Bij dat voorlezen van zo’n verhaal (dat doorgaans een paar pagina’s A4 besloeg) viel me steeds op dat er teveel informatie gegeven werd. Dat het verhaal te lang was, dus.
Ik heb daar inmiddels, mede door Alice, die mijn internetvriendin en later vriendin werd, maar die nu dood is, een einde aan gemaakt. Mijn verhaaltjes zijn nu ongeveer één pagina A4 lang. Dat is ook lang genoeg. Een snede brood geef je weg bij de biefstuk, niet een heel wit.
Ik ben daarin als, hoe heet die Braziliaanse schrijver ook alweer, hij komt uit Curitiba (help me!, want ik ben te lui om het op te zoeken in het werk van Rudy Kousbroek), die ooit zei: ‘Ik eindig nog eens als haiku-schrijver.’
Zo erg zal het met mij niet worden, want ik heb mijn vaste lengte nu wel gevonden. Een A viertje. Daar moet het in passen, dan is het goed.
Ik wantrouw ook langere brieven of blogs. Als de regering een brief naar de Tweede Kamerleden stuurt, is dat meestal een brief van 18 of 146 kantjes. Hoe meer kantjes, hoe meer kans op bedrog, denk ik dan. Wat je kwijt wilt, kan altijd op een velletje A4.

Naschrift: Die Braziliaanse schrijver is Dalton Trevisan.

zondag 20 maart 2011

Vlák erna

Vlák nadat Max Molovich met zijn vrouw I. en hun zoontje M. vanochtend vertrokken waren (ze waren langsgekomen voor een bliksembezoek. Ze zeiden dat hun zoontje nog niet kon praten, terwijl ik toch meerdere lettergrepen kon herkennen, bijvoorbeeld toen hij allerlei snoeren en toetsenborden uit een kastje wist te grijpen) voltrok zich het volgende. (Ik moest ook mijn televisietoestel weer herstellen, want daar had de kleine man ook aangezeten. Ik roep altijd hoera!, want ik vind de vindingrijke sloopzucht der jeugd niet iets om een brief over te schrijven aan Geert Wilders. Die heeft het trouwens al te druk met zijn eigen jeugdherinneringen.) Ze waren de deur nog niet uit, toen zich het volgende voordeed.
Ik woon in Egmond aan Zee, in een appartementencomplex op de zesde etage. Wie wel eens in Egmond aan Zee is geweest, weet dan wel ongeveer waar ik woon: in de Kennedyflat, vlakbij de zee. Ik pak het boek op waar ik in aan het lezen was (De zedeloosheid van Den Haag van J.G. Kikkert), en er wordt aangebeld.
Dus ik open de deur en ik zeg: ‘Komt u ook maar binnen!’
Binnen stappen: een oudere maar zeer aantrekkelijke dame en een wat jongere dame. ‘Koffie?’ vraag ik. ‘Graag!’ antwoorden zij, wat mij deed vermoeden dat zij geen lid waren van enige christelijke vereniging met zendingszucht.
‘Mijn dochter hier wil zelfmoord plegen,’ zei de oudere dame, ‘en mijn vraag aan u is: hoe moet zij dat doen?’
Er volgden enige plichtplegingen omtrent mijn vakmanschap op dit terrein, daarna begon ik mijn betoog: ‘Over het algemeen is het voldoende als men enige tijd nadenkt over de rol van Geert Wilders in het geheel. Dan wil men er wel uitstappen.’
‘Dat wil men inderdaad,’ zei de dame.
‘En de vraag is dan: hoe doet men het? Voor mijzelf zou ik zeggen: neem de zee. Die is nog redelijk koud, in deze tijd van het jaar. Kleed u enigszins en stap de zee in, totdat u tot uw borst in het water staat. Doe dit ’s avonds of ’s nachts, want het is niet nodig dat iemand u opmerkt. U zult zien dat u na een kwartier in het water staan, flink bent onderkoeld. Een paar minuten later bent u dood.’
‘Is het zo makkelijk?’
‘Ja mevrouw, zo eenvoudig is het.’
‘Wel.’ (Ze richtte zich tot haar dochter.) ‘Ik hoop dat je meegeluisterd hebt, lieve kind.’

woensdag 16 maart 2011

Patti Smith

Een vrouw waar ik altijd lichtelijk verliefd op ben geweest, sinds 1975, is Patti Smith. O, en je mag me zo bellen: 073-26173834, lieve Patti! Schud je krullen voor je gezicht weg, en bel. Dat je bevriend geweest bent met William Burroughs, dat vergeven we je.
Waarom raakt iemand, of laat ik het zo zeggen, waarom raakte ik verliefd op Patti? Het was geen, hoe zal ik het zeggen, geen milf. Het was zelfs iemand die gewoon haar okselhaar liet waar het was, en die me dus deed vermoeden dat ze zelfs haar schaamhaar had behouden. Ze zou zelfs een song  No shaving anymore! hebben kunnen uitbrengen.
Dat deed ze niet, ze maakte aan het eind van de tachtiger jaren nog een bijna christelijk lied, een grote schande, en daarom mag ze me nog wel bellen. Maar eerst excuses.

zaterdag 12 maart 2011

Kwakzalvers, kom naar Nederland!

Parapsychologen, acapuncturisten, chiropractoren enzovoorts zitten nog goed in Nederland. In België niet meer. Ideetje voor de politiek: universiteiten verbieden om die onzinstudies te geven.

vrijdag 11 maart 2011

Hoe ik een atheïst werd

Op mijn zesde jaar moest ik elke dag van de week naar de kerk, voordat ik naar school ging. Het was een zeer vervelende bezigheid. Wat ons daar verteld werd, in die kerk, weet ik me niet meer te herinneren, maar een paar dingen weet ik nog wel. Eén. Pastoor Bangert was een oude neuzelaar, die mij vast niets meer kon vertellen. Dat wist ik op die leeftijd al wel. Twee. Die kerk heette de St. Corneliuskerk (het was in Limmen, N.H.). Waarom heette die kerk naar die Cornelius, wilde ik weten. Allerlei navraag (bij mijn ouders, bij mijn onderwijzeres) leverde niets op.
Dat dagelijks naar de kerk gaan, ’s ochtends, duurde geloof ik twee jaar. Niet langer. Toen was het over, godzijdank. Daarna moesten we alleen ’s zondags nog naar de kerk, voor weer een vervelende Mis.
Wat ik me altijd heb afgevraagd: waarom draagt de clerus zulke rare kleren? Waarom dat gestrooi met wierook? Waarom dat gedoe met die hosties? (Die overigens naar niets smaakten. Ze hadden er een abrikozensmaakje aan kunnen geven.) Waarom moest je in godsnaam knielen? En waarom waren die kerkbanken zo godverdommes oncomfortabel? Wat hadden die biechtstoelen met het geheel uit te staan, waarin je loog wat je misdaan had? Wat doen die misdienaars daar, en die acolieten? Waarom zaten nu de dames links en de heren rechts? Waarom zaten ze niet gewoon door elkaar?
Met andere woorden: mijn atheïsme  kreeg vorm op mijn zesde jaar. Ik heb nooit geloofd in den Here Jezus. Ik dank hiervoor mijn ouders, mijn zusters en broer, en mijn vrienden, die er ook niet in geloofden. Iedereen had er zát van, en ik spreek nu over 1960-1965.
Ik denk dan ook helemaal niet dat de revolutie is begonnen in Amsterdam, met de provo’s of de studentenrellen enzovoorts. De revolutie was al begonnen, eerder, in de dorpen (en ook in Amsterdam natuurlijk) met het weggooien van het christendom.
Later kreeg mijn atheïsme écht vorm toen ik de bijbel ging lezen en daarin de meest onwaarschijnlijke zaken tegenkwam, en toen ik bijvoorbeeld dingen kwam te lezen over biologie en astronomie, waarin ik ook de meest onwaarschijnlijke dingen tegenkwam, maar dat waren dingen die verkláárd werden. Dat zul je nooit zien bij de theologen. Bij de theologen worden de dingen niet verklaard, maar zoeken ze naar een verklaring per mirakel.
En mirakels komen niet voor.
Er is bijvoorbeeld een besnuffelde Nederlander die een ark van Noach heeft gebouwd, waarom weet ik ook niet. Ik zou die man willen vragen: hoeveel insectensoorten zoudt u in uw ark kunnen plaatsen? Er zijn zo’n vier miljoen insectensoorten bekend, meen ik. Het kunnen er ook veertig miljoen zijn. Maar laat ons zeggen: één miljoen insectensoorten. Er is dan weinig rekenwerk nodig om te stellen dat die Ark van Noach ontstéllend groot moet zijn geweest. Alleen voor die insecten. Neem er de vogels bij. Neem er de dinosauriërs bij. Neem er de, ach kom.
Het wordt alleen maar treuriger, dat geloof in de Heer. Alleen maar treuriger. Maar: wie erin wil geloven (niet in Thor, of Isis, of Baäl), hij gelove maar door. Het is niet voor niks dat alle christelijke partijen zo op hun flikker hebben gekregen en zullen blijven krijgen. Terecht.

donderdag 10 maart 2011

Alice

Alice is nu bijna negen maanden dood. Ik ga u niet vertellen wat een verschrikkelijk leuk mens het was, dat weet iedereen die met haar contact heeft gehad. Het vreemdste is, vind ik, hoe ik ruim vier jaar geleden in contact met haar kwam. Dat kwam door een stukje, op een vorig blog, dat ik schreef over een hakmoord in Roosendaal. Daar reageerde ze op, daar reageerde ik weer op en zo ging dat verder. Je zou bijna zeggen: dank u wel, hakbijlmoordenaar!
Een half jaar later kwam ze (ze was getrouwd, maar hoe het met haar huwelijk ging, heb ik haar nooit gevraagd. Ik ben geen huwelijksbreker) naar mij toe, in Egmond aan Zee. En ze kwam vaker. En vaker. Eerst kwam ze voor een dagje. Later kwam ze voor een week. Later kwam ze voor een maand. Ben je dan nooit naar haar toegeweest?, vraagt u. Nee, nooit. Dat had deels te maken met mijn heimwee, die maakt dat  ik na dertig kilometer buiten mijn woonplaats mijn hart voel rammelen (zoals tijdens onze tocht naar Amsterdam in november 2008, een geweldige opgave, vond ik, maar die wel goed afliep), en deels ook omdat ik wel wist dat het bij haar thuis niet helemaal pluis was.
Toen ze bij me kwam wonen, acht weken voor haar dood, hebben we nog een paar familieleden van me bezocht. Jaap, in Limmen, waar men bezig was met de geurige hyacinthen, en Marja in Alkmaar. Ik had nog wel meer zussen willen bezoeken met Alice, en Alice wou dat ook wel, maar het ging niet meer. Ze kon niet meer op haar benen staan. Ze was op haar einde.
Toen de laatste twee weken aanbraken, moesten de dingen georganiseerd worden: de huisarts, de oncologische thuiszorg enzovoorts. Vooral die thuiszorg was formidabel goed: je kon ze dag en nacht bellen en dan kwamen ze ook meteen. Ik weet nog dat Alice haar poep niet kon ophouden, dus het ziekenhuisbed (dat midden in de kamer stond) onderscheet, en dat ik zei: ‘Dat is niet erg, joh, dat ruimen we zo op.’ Ik de boel schoonmaken, even later bellen en drie minuten later stond er een verpleegster aan de deur. Want ik wist niet hoe ik dat bed weer schoon moest krijgen en hoe ik Alice weer in dat bed moest krijgen.
Alice was toen al helemaal hulpbehoevend. Ze at ook al weken niets meer, behalve een soepje (een paar lepels) en, een dag voordat ze stierf, een mergpijpje, want daar zat nog een abrikozensmaakje aan. De huisarts had me een paar gram hasj gegeven, zodat ik die klaar kon maken en zodat ze die kon opdrinken. Dat ging met een rietje, dat half was afgesneden, want meer kracht had Alice niet.
De laatste dag zei Alice me: ‘Ben, ik heb zo’n pijn!’ Ik belde mijn huisarts, die kwam en gaf haar een spuit in haar billen. Later op die dag kreeg ze nog een spuit. Later op die dag kreeg ze nog een zetpil ingebracht. En toen was ze dood.

Gesprek met Max Molovich

- Daar zitten we dan, Max.
- Ja, daar zitten we dan. Ik moet nog een stukje schrijven voor Nurks.
- Waarover?
- Dat ga ik je niet aan je neus hangen, beste Ben.
- Dat zou ik ook nooit doen.
- Over de kangoeroe gaat het.
- Huh?
- De kangoeroe als huisdier. De gedomesticeerde kangoeroe, kortom.
- Kun je daar een stukje over schrijven?
- Ik dacht het wel.
- De meeste schrijvers nemen een dagje vrij als ze een stukje hebben geschreven over lepra!
- Voor mij geen vrije dag. Discipline, daar gaat het om.
- Ik ben blij dat je het opnoemt, Max. Je moet altijd doorgaan en...
- Je moet altijd doorgaan, dat vind ik ook, en niet omkijken. Schrijven, dat doe je dag in dag uit.
- Daar ben ik het mee eens. Je schrijft een stukje, dat lees je nog eens door, en je vindt: dit is het beste stukje dat ik geschreven heb sinds ik volwassen werd. Dus publiceren!
- Ja. En dan blijkt dat niemand anders dat stukje waardeert. Dat is wel eens jammer.
- Ja! Neem die Amsterdamse humor. Eén reactie. Terwijl je op dat stukje toch wel wat reacties zou willen hebben gehad. Ik gooi mijn werkwoorden wel eens door elkaar, dus ik controleer het even. Zou. Willen. Dat was goed. Maar dat komt misschien ook omdat je een te voor de hand liggende grap met die rookworst maakte. Was dat echt zo? Ik bedoel, is dat echt zo gebeurd?
- Ja, ongeveer.
- Ik heb het nieuws over de Belgische bever die ze in de Drentse Aa hadden uitgezet, en die verongelukt is op de A28 nog eens nagetrokken. Je weet wel, die bever hadden ze uitgezet omdat ze dachten: dan gaat die bever neuken met een andere bever, en dan hebben we kleine bevertjes en dat gaat dan allemaal mooi en goed.
- Prachtige gedachte.
- Ja, maar nu blijkt dat ze daar al zestien bevers hebben uitgezet, ik neem aan van beide geslachten.
- Dat hoop ik ook, anders wordt het een homoseksuele gemeenschap.
- Ja, dan moeten ze Hongaarse of Poolse bevertjes adopteren. Nee, dat is niet het beste idee. Wie was er aan het woord?
- Jij.
- Oké. Max! Je Stijloefeningen zijn superbe, er zit geen zwakkeling tussen en er zitten een paar topstukken bij.
- Zorg ervoor dat jouw Dirkswoud ook goed blijft, jongen.
- Ja, ja, ja, ja, ja. Ik heb een vergissing gemaakt, in het begin van die reeks vertellingen, maar die heb ik alweer hersteld, zij het op een wat flauwe manier.
- Je bedoelt met die politieman?
- Ja.
- Daar moet je je niets van aantrekken, Ben. Doorgaan moet je. Discipline!

zaterdag 5 maart 2011

Decapitated

Er bestaat een band die Decapitated heet, en die geen slechte muziek maakt, naar mijn smaak. Maar die met bands die Exhumed of Aborted of Enthombed of Necrophobic heten (ze bestaan of bestonden allemaal), me begint zorgen te maken.
Waarom je band noemen naar een toestand? Het begint verdomd te lijken op een abstract schilderij uit de jaren negentig dat ‘Wazig’ of ‘Allergisch’ heette.
Zoek dus eens wat verder voordat u begint, vroeger hadden ze de ‘Rolling Stones’ bijvoorbeeld.

vrijdag 4 maart 2011

Galliano

Ik heb dat filmpje van Galliano gezien, en natuurlijk is het een schandaal dat zo’n man dronken wordt getoond. Net zo schandalig zou het zijn om een filmpje te maken van de hoererij van Geert Wilders. Ik weet natuurlijk helemaal niet of hij naar de hoeren gaat, maar ik geef het als voorbeeld.
Wat Galliano daar zegt, is natuurlijk ook schandalig. Zo ga je niet om met mensen. Maar hij was dronken, dus daar zullen politie en rechter in Frankrijk misschien rekening mee houden. Hij is ontslagen bij Dior, waar hij werkte.
Frits Wester had nog nooit van Galliano gehoord, blijkens Frits’ optreden bij Pauw & Witteman. Ik had ook nog nooit van de man gehoord. Als ik zou moeten hebben geraden, zou ik wel aan de modewereld denken, ik zou niet aan de kunstwereld hebben gedacht.
‘Weer zo’n hork,’ zal Hanneke Groenteman wel denken. Maar ten eerste: is het zo erg om niet direct te weten wie John Galliano is? Ik wed dat Frits ook niet weet wie William Byrd was. Dat lijkt me helemaal niet erg.
En ten tweede: dat combineren van mode en kunst zit me dwars. Dat zijn twee dingen die volgens mij haaks op elkaar staan: als je elk half jaar komt met iets nieuws – daarbij eigenlijk zeggend: draag mijn vorige creaties niet meer, want dan bent u hopeloos ouderwets, of u bent hopeloos op de centen –, dan ben je geen kunstenaar. Een kunstwerk blijft namelijk, het maakt niet uit wanneer het gemaakt is.

woensdag 2 maart 2011

Tekst!

Heren! Voordat u een band begint, moet u natuurlijk met elkaar beslissen: wat voor muziek gaan wij maken?  En ik voel wel aan: het wordt geen jazzcombo.
Het moet harder. Dus u begint een heavy metalband, of een death coreband of een grind coreband, hoe u het ook wilt noemen. Prima.  Zo hard mogelijk en tegelijk zo snel mogelijk. Heerlijk, ik ben het met u eens.
Maar zoudt u voor de zangpartijen wellicht niet iemand kunnen inhuren die verstaanbare teksten kan voortbrengen?

dinsdag 1 maart 2011

Iraniër, 1978

Ik herinner me een Iraniër uit 1978, die ik in Alkmaar in de kroeg tegenkwam en met wie ik Engels of Frans of Duits kon spreken, dus dat werd van mijn kant het Engels, die ik vroeg: hoe staat het nu met die sjah van jullie? Slecht, zei hij. Die lul is binnen een jaar vertrokken.
Hij was gevlucht uit zijn land, een paar jaar tevoren. En als er een revolutie komt, vroeg ik. Dan ga ik meteen terug, zei hij. Of hij dat gedaan heeft, weet ik niet. Ik hoop het niet. Hij studeerde aan de UvA. Rechten, internationale rechten, zoiets.
Ik weet zijn naam niet meer. Ik heb wel steeds het nieuws uit Iran gevolgd, en hoopte steeds maar dat ik hem niet zou tegenkomen in de massa’s. Ik hoop maar dat hij en zijn familie allereerst aan de wraak van de sjah en vervolgens aan de wraak van de islamitische heersers zullen zijn ontkomen.
Het aardige was: we speelden op zijn verzoek een partijtje schaak in dat café. Ik kreeg wit en ik speelde 1. d4. Zijn grijns was, hoe zullen we het noemen, veelbelovend. Hij speelde de Tsjechische variant van de Benoni Verdediging: 1. d4, Pf6 2. c4, c5 3. d5, e5. Een stokoude, zeer solide en ook zeer statische opening, waarin het er vooral om gaat de zwarte loper van zwart in toom te houden.
We speelden remise en ik vroeg hem na de partij: waarom speel je nu die opening? Toen zei hij: ik wou eens iets anders proberen dan het Koningsindisch of de Nimzovitsj. Maar ik had zeker een Siciliaan gespeeld als je met 1. e4 was begonnen!
Wat speel je met wit, vroeg ik. ‘Oh, various systems,’ zei hij. Ik gaf hem nog een biertje.

maandag 28 februari 2011

Cephalic Carnage

De afgelopen dagen heb ik vrij aardig besteed. Het was vreselijk weer, maar in huize Hoogeboom was het een muzikaal feest en dat kwam door Cephalic Carnage, een grindcoreband, als u dat iets zegt. Maar wel een eigenaardige grindcoreband: ze experimenteren ook met andere stijlen (tot aan jazz toe), ze zijn muzikaal zeer onderlegd, en ze houden er daarnaast een eigenaardig soort humor op na.
Het beste is hun laatste CD, vorig jaar uitgekomen: Misled by certainty. Daarvan het mooiste nummer: Abraxas of filth.

zaterdag 26 februari 2011

Stijloefeningen

Je kunt ook jaloers zijn om iets dat je buurman heeft. Dat heb ik nooit gehad. Maar nu ben ik toch wel jaloers. Op wie? Op Max Molovich, want die doet nu iets wat ik al jarenlang wilde doen, zonder dat ik wist dat ik het wilde doen: de Stijloefeningen van Raymond Queneau (in de vertaling van Rudy Kousbroek) overdoen. Een geweldig idee.
Ik ben jaloers zoals ik jaloers ben op bijvoorbeeld William Byrd of Bach, die zulke prachtige stukken schreven, die we nu allemaal normaal vinden.
Zo schrijft Max dingen in zijn Stijloefeningen waarvan ik denk: god jongen, dat had ik zelf ook kunnen doen! Ik sta foeterend op, ga weer zitten, lees Max’ stuk nog eens, en zie: nee, dat had ik nooit kunnen schrijven. Mijn  Stijloefeningen zouden er heel anders uitzien.
Ik zou bijvoorbeeld nooit die kamervragen van Richard de Mos hebben kunnen verzinnen. Ook niet wíllen hebben verzinnen, geloof ik, want die jongen is straks de Kamer weer uit enzovoorts. Het heeft geen eeuwigheidswaarde. Maar het is wel een monumentje en een prachtig tijdsbeeld.
Het mooist, naar mijn smaak, is tot nu toe zijn verliefde aflevering. Die is echt formidabel.
Ik hoop nog op afleveringen over Evolutie (sleutelwoorden: dan en en dan), Geloof (geheel in de verleden tijd gezet), Direct gevonden!, en zo zijn er nog wel meer dingen te verzinnen. Maar dat moet ik eigenlijk niet doen, want Max moet het zelf schrijven. Godverdomme Max, je bent me vóór geweest!!! Je bent ook een verdomd goeie schrijver.

woensdag 23 februari 2011

Windows Live Messenger

Ik heb dat pionnetje van Windows Live Messenger alleen maar aanstaan, rechts onderaan mijn scherm, omdat het handig is bij het opstarten van mijn computer, ’s ochtends: ik weet dat ik contact heb met het internet als dat pionnetje er staat. En dan ga ik naar mijn Google Chrome enzovoorts. Zo gaat het elke ochtend, in huize Hoogeboom.
Een dode dienst, dacht ik dat het was. Wie zit er nog op dat Messenger? Niemand toch?
Maar gisteravond kwam er een bericht van ene Michael Keuppens (ik verzin nooit namen) die wel eens vrienden met mij wou worden. Vreemd, dacht ik. Ik ken niemand van de naam Keuppens. Ik heb toen maar een berichtje teruggestuurd: als je contact wilt, is dit mijn emailadres. Maar Michael was al off line, zei de Messenger.
Ik heb toen even op Google gezocht, want wie weet is die Michael Keuppens wel een Vlaams soort schurk of afperser. Het bleek een tamelijk brave man te zijn, die in de psychiatrie verbleef of werkzaam was, dat weet ik niet. Met zo iemand zou ik, na een paar jaar, best vriend kunnen worden.
Een en ander zal u wel duidelijk maken welk een hekel ik heb aan dingen als Twitter en Facebook, waar dat Messenger een primitieve variant van is. Als je geen originele tekst te melden hebt, schrijf dan niets. Dat is mijn mening. Heb je wel iets te melden, schrijf dat dan op je blog, of als je het niet in de publiciteit wilt hebben, schrijf het dan privé in je email naar je vrienden.

dinsdag 22 februari 2011

Palmpasen

Het gaat nog gewoon door, hoor. Vergis u niet. De voorste pater heeft een (misschien zelf vervaardigd) kruis en daar hangt een buxuskransje omheen. Enig!
Interessanter zijn de twee volgende paters, die iets dragen wat ik niet kan thuisbrengen. Het is een in een blauw doek verborgen doos (ik vermoed een relikwie van een of andere heilige, bijvoorbeeld de voorhuid van Johannes de Doper, want zulke dingen hebben ze) en daarop staat een kitscherig beeldje.
Gerard van het Reve zei eens, ongeveer: hoe meer kitsch, hoe beter. Tegen zoveel kitsch is niets bestand. Ik ben het daar nooit mee eens geweest. Hoe minder kitsch, hoe beter.

maandag 21 februari 2011

Cannibal Corpse

Ik durf het u haast niet te bekennen. U kent mij als een groot liefhebber van oude muziek: Byrd, Dufay, Ockeghem, Desprez, Agricola, Palestrina, noem maar op. Dat is ook de mooiste muziek die ooit gemaakt is.
Maar ’s avonds of ’s nachts gelden bij mij thuis andere regels. Als ik klaar ben met het schrijven van mijn stukje of met het bekijken van een stuk (meestal ondraaglijke) tv, dan neem ik een glas rode wijn of een glaasje port en dan ga ik op YouTube rondzwerven, of ga ik rondkijken op StumbleUpon. Een gezond mens gaat natuurlijk meteen naar bed. Ik niet.
En ik ben dan niet op zoek naar video’s van Byrd’s muziek of naar de missen van Tomas Luis de Victoria, maar bijvoorbeeld naar de jazz van de jaren zestig. Daar is enorm veel van te vinden op YouTube. Ook is er enorm veel te vinden van de hardere soorten metalmuziek. Daar ben ik ook een liefhebber van.
Vooral de death metal kan mij bekoren, omdat je in dat genre de geweldigste drummers en gitaristen vindt. Helaas grunten de zangers, zodat je ze niet kunt verstaan. Ze grunten ook allemaal ongeveer hetzelfde, veel variatie zit daar niet in.
De zanger van de Amerikaanse death metal band Cannibal Corpse doet het ietsje lager dan de meeste andere zangers, en dan kun je min of meer verstaan dat  hij het heeft over spine splitters of over zijn verslaafdheid aan vaginal flesh of over murder worship. Reden waarom ze jarenlang in Duitsland ongewenst waren.
Die zanger interesseert me niet zo. Zijn lyrics gaan compleet langs mij heen. Wat mij interesseert aan dat Cannibal Corpse, zijn de fantastische drummer en de even fantastische gitaristen. Luistert u maar eens naar dit Frantic disembowlment. (Direct na dat nummer hoort u die zanger grunten over I will kill you enzovoorts. Dat is dus minder interessant.)

dinsdag 15 februari 2011

Johannes Tinctoris

Ik ben natuurlijk een beetje gek, maar ik zit alweer uren te luisteren naar Johannes Tinctoris. Dat was een Belg die leefde van 1435 tot 1511. We zeggen wel dat het een Zuid-Nederlander was, maar dat is onzin: hij is geboren in Nijvel. Dat is België.
Zoals ik in de rockmuziek de mooiste dingen vind in de nummers met een stevige bas, zo vind ik dat in de muziek van Tinctoris: luister hier maar eens naar. Zo godvergémes mooi!
Nu ben ik niet benieuwd naar zijn voorgangers, maar naar zijn opvolgers. Componisten die ook zulke mooie baslijnen hebben gebruikt. Ockeghem zou een kandidaat kunnen zijn. Beluister dit Gloria, maar daarin ontbreekt toch die sterke bas die je wel hebt bij Tinctoris.
Ik hoor graag uw reacties.

zondag 13 februari 2011

Josquin des Prez

Ik heb nu alweer een paar uur naar video’s zitten luisteren van Josquin des Prez, in het bijzonder naar zijn Mis voor de hertog van Ferrara. Prachtige muziek. Die hertog was in 1505 overleden maar had enige moeilijkheden gehad met paus Sixtus (van de Sixtijnse kapel) over de zoutwinningsgronden, die de paus voor zijn neef had willen winnen. Ferrara ligt iets ten zuiden van Venetië. Die hertog was een zeer redelijke figuur, blijkt uit alles, hij had dichters en schrijvers als ministers aangesteld enzovoorts. Zoals het hoort, dus. Hij heeft nooit oorlogen gevoerd.
Paus Sixtus kreeg als opvolger Alexander de Zoveelste, ik weet niet precies welk getal. Een uiterst corrupt figuur, zijn vier kinderen kregen het graafschap van dit, het hertogdom van dat, enzovoorts.
In die tijd dus schreef Des Prez zijn katholieke muziekjes. Zou er nog iemand zijn die gelooft dat dat  gelovige muziek is? Ik denk dat zijn Missa Hercules Dux Ferrariae, hoewel ze natuurlijk vol zit met credo’s en halleluja’s, in feite een protest is tegen het pauselijke gedoe.

dinsdag 8 februari 2011

Manisch depressief

Ik heb er zojuist in Nurks een stukje aan gewijd. Iedereen is wel eens een beetje moe of down, en daarna weer vrolijk en opgewekt. Maar als je 15, 16, 17 jaar bent en je maakt het mee dat je zo diep in de put raakt, dan wil je jezelf wel vermoorden. Doe dit niet. Beschadig jezelf ook niet. Geen gekras en gesnij.
Ik zal je uitleggen waarom dat niet helpt. De pijn die je daarvan voelt, vervangt de échte pijn niet. Echt niet, die pijn komt weer terug. Je behoort tot de weinige mensen die moeten kiezen uit twee dingen. Zelfmoord, of doorleven. Zelfmoord, daar moet je een beetje moed voor hebben (ik ben voor de ‘eenzame’ methode: ga in de maand februari simpelweg in zee staan, dan ben je na een half uur totaal onderkoeld en dood; of doe een afvalzak om je hoofd).
Voor dat doorleven zijn er diverse scenario’s. Je bent vrij intelligent, all right, want je begrijpt alles wat je therapeut of je psychiater je vertelt of tracht bij te brengen.
Die intelligentie moet je gebruiken. Je moet niet in een hoekje blijven zitten en denken: ik ben niet knap genoeg, of ik ben ook nog te dik, of ze begrijpen me niet. Dat is allemaal onzin. Je bent intelligent! Ik heb, als MD-patiënt vanaf mijn zeventiende jaar (en dat is nu veertig jaar geleden, dus je ziet wel: het kán!), bijvoorbeeld de Russische en de Engelse literatuur gelezen. Daar ben ik, zeg maar, een soort specialist in geworden. Ja, vraag me niets over de Engelse literatuur van na 1960, want daar weet ik weinig van. Alleen wat namen. Hetzelfde met Russische boeken.
Maar dat soort specialisatie hélpt je. Vooral als je er daarna over kunt schrijven, of praten. Het praten erover is mij nooit gelukt, dus dat moet ik je, op persoonlijke gronden, afraden. Maar ik weet niet hoe jij in elkaar steekt. We moeten elkaar in elk geval een beetje helpen.

maandag 7 februari 2011

Links!

Voor mij ligt een bladwijzer uit een oud boek (Great British Tales of Terror), dat ook al een lintje heeft. Reden waarom ik de bladwijzer eruitgehaald heb. Die bladwijzer is 4½ x 7½ centimeter groot. Het is een sticker die voor de PSP gemaakt is in de jaren zeventig, en die niet zo mooi is als de poster van de naakte dame en de koe, die in dezelfde periode is gemaakt. Helaas bestaan er geen plaatjes van op de computer.
De sticker is eerder een CPN-sticker dan een PSP-sticker, vind ik. Hij is gedrukt in twee kleuren: zwart en rood. In zwart: een foto van een menigte besnorde en bebaarde lieden (ik schat zo’n 200 man), genomen vanuit vogelperspectief. Daar overheen in rood gedrukt de woorden: NU en PSP 11, terwijl de complete tekst, wit uitgespaard, luidt: NU kiezen linkse mensen PSP 11 voor een werkelijk socialistische politiek.
Ik begreep vroeger al niet waarom de PSP met die naakte dame op die poster geen groter succes behaalde, met deze sticker erbij wordt het raadsel nog groter. Die stickers namelijk werden in grote aantallen gedrukt.
Wat moest je ermee doen. Een bestaan als boekenwijzer was natuurlijk wel leuk en intellectueel, maar de bedoeling was dat je ze overal op straat plakte: op vuilnisbakken, verkeersborden, noem maar op. Op alle plaatsen waar ‘de gewone mensen’ kwamen.
Oh, wat was het fijn om links te zijn, in die tijd. Je had toen nog de Vietnam oorlog, en zo. Daar kon je massaal tegen protesteren, samen met alle andere besnorde en langharige lieden. Een geweldige tijd. Je had ook de vrije liefde, toen. God! Wat copuleerden wij! Bram van der Lek en Fred van der Spek, dat waren onze mensen. Ja, wij hebben nog geluk gekend, in onze jeugd.

vrijdag 31 december 2010

Dúrf het eens!

ZJING!! Oudjaar, dus we moeten maar weer houden van het ouwelullentheater. IKKE NIET! Voordat ik naar het nieuwe jaar reis, loop ik nog even naar de krentenbollenfabrikant, die mij één eurootje rekent voor een appelflap, dat tik ik ook even af. Ik loop terug naar huis, en ik denk: GODVERDOMME! Mijn vrouwtje had een appelflap MET KRENTEN ERIN gewild! Ik keer terug naar huis en ik zeg haar: het was te glad en te gevaarlijk voor mijn achillespezen om nog eens terug te gaan. Hier, wijf, pak aan! Het is maar goed dat WikiLeaks een betrekkelijk klein bereik heeft, want God oh God!
Ik héb haar ongenadig behandeld. Ze heette Corrie. O, het was een prachtvrouw. Ik heb haar, zeg maar, weggesneden. Ja! Eerst in stukjes en later in partjes, en die bied ik morgen aan aan de locale supermarkt. Want je moet de rotzooi niet in huis houden. OKÉ?!
En dan bent u weer welkom, dames! In troepen. In colonnes kunt u binnentrekken! ANS! TINEKE! ZJERALDA, of hoe je ook heet! PIETERSMA? Je voornaam ben ik vergeten, lieve meid. Ik heb jullie allemaal wezenloos geneukt, wezenloos totdat jullie allemaal kwalletjes waren. VERDOMD! Ontken het maar niet, die heerlijke belevenis, want anders pak ik je op straat.
GRRR, op straat! Nee, beter is: in mijn huiskamer! Waar de dingen op hun regelmatige plaats liggen: het steekgarnituur vooral. Want ik zal u niet vermoorden met pistolen of iets dergelijks, nee, mevrouw, u zult eraan gaan met messteken, en NADAT u hevig bent klaargekomen! Want daar zorg ik voor, jawel!
HEERLIJK! U kent mij. Een snoezige vent, nietwaar? Een vent die ook weet wat u, dames, wilt. IK ZORG VOOR U! Daar kunt u op rekenen, ik zal voor u zorgen tot het allerlaatste moment. Het moment dat ik uw hart INEENSTEEK!
Dúrf het eens, dúrf het eens!

dinsdag 28 december 2010

Iedereen depressief

Al jaren lang zijn er in Nederland per jaar 1500 gelukte zelfmoorden. Die zelfmoorden worden gepleegd door depressieve mensen. Dit eenvoudige feit kwam niet voor in de televisieuitzending Iedereen depressief? op Nederland 2 van vanavond.
Ik ben het er als depressieveling mee eens dat 800.000 mensen die mijn ziekte zouden hebben, teveel is. Wij kijken ook een beetje neer op mensen die een dipje hebben, een beetje depri zijn, en dan aan de antidepressiva en de therapieën gaan. Mensen die bijvoorbeeld zeggen: ‘Gistermiddag was ik zeer somber.’ Wij zien dat meer als een griepje.
Zo was er aan het begin van dat programma een man die ontslagen was bij de Aegon, en die nu depressief geworden was. ‘Van 0 tot 10 was mijn stemming 6½,’ zei hij. Het had hem dus wat tegengezeten. Vijf maanden later was hij nog steeds werkloos en was zijn stemming nog ietsje minder. Hij woonde in zo’n vinexwijk en daar word  je dus al  niet vrolijk van.
Maar er zaten ook werkelijk depressieve mensen in het programma. Eentje had zelfs 32 electroshocks achter de rug, wat hem min of meer draaglijk had gemaakt voor zijn omgeving.
Wat ik zeer miste: de manisch-depressieve mensen. Tegenwoordig noemen ze dat bipolairen, waarom weet ik niet. De manisch-depressievelingen zijn de mensen uit mijn club. Mensen als Stephen Fry en, misschien, Mike Boddé. Die zat er trouwens wel in, en vertelde enkele zeer nuttige dingen.
Wij lachen en wij zingen, wij dansen en hebben humor en wij zijn soms zum Tode betrübt. Daar helpt geen therapie tegen. Wel, soms, pillen. Soms.

Top 100.000

- We verkopen één reclame per plaat.
- Je bedoelt, een reclame die met de plaat die je draait te maken heeft.
- Godverdomme nee, dat heeft er niets mee te maken. Met ons vak.
- Begrepen.
- Ik bedoel: we draaien een plaat, en daar zeggen we bij: ‘En hoe wil je nu iets veranderen in je leven? Nummer 24.836: A great game, of zoiets. Van The Early Peddlers.’ Dan de reclame van Dove of Mercedes, en dan volgt dat nummer.
- Het lijkt mij een serieuze optie. Maar  hoe krijg je die honderdduizend nummers bij elkaar?
- Dat kun je wel overlaten aan ons vakmanschap. We draaien die honderdduizend nummers in één jaar tijd op Hilversum 2. In dat jaar heb je ook wel tijd voor het nieuws, ongeluk hier, terrorisme daar. Maar het gaat om de platen. En om de reclames tussendoor.
- Dove en Mercedes.
- Juist. Ik geloof dat je het begint te begrijpen.

maandag 27 december 2010

Kerst

Ik heb het niet zo op kerstverhalen. Ik ben er ook altijd te laat mee. Mijn kerst was dit jaar wit. Dus glad, dus gevaarlijk. Klaar. Ik zat alleen, ik zit nog steeds alleen. Vorig jaar was Alice er nog, met wie ik nog grapjes kon maken zoals: ‘Alice. Een boeuf bourguigne?’ Dan zei ze: ‘Uit welke periode?’
Het was ook onze gewoonte om over een vorige kerstperiode te vertellen. Ik heb vorig jaar verteld over de kerst van 1983. Mijn vader is 57 jaar oud geworden (mijn leeftijd nu), en hij is gestorven in het begin van 1984. Hersenbloeding, coma, einde.
Tijdens die kerst van ’83 lag mijn vader in het AMC te Amsterdam, in de Intensive Care. Een dokter daar vertelde ons dat mijn vader ‘een zeer zware ziekte’ had, en op mijn vraag of hij ooit zou wederopstaan, zei hij: ‘Vermoedelijk niet.’ Ik heb verder maar niet aangedrongen.
Ik zat met mijn moeder op een binnenplaats van dat AMC, en ik zei tegen haar: ‘We zijn geen gelukkige familie, is het niet?’ Ze zei: ‘Geluk is nu wel heel ver weg.’ Ze maakte een paar jaar later een eind aan haar leven.
Ikzelf ben in de jaren na ’83 depressief geweest, maar ik heb mezelf nooit vermoord, zoals u kunt lezen. Ik was ervoor ook al geregeld somber, hoor. De ergste jaren waren van 1983-1998. Dat ik mezelf niet van kant heb gemaakt, is een klein wonder.
Van mijn moeder heb ik die depressiviteit geërfd, van mijn vader de hartproblemen. Bijvoorbeeld dat ik naar de supermarkt loop, vanmiddag, en dat ik daar eerst een kwartiertje moet gaan zitten uitrusten  (afstand huis-supermarkt: ca. 200 meter), voordat ik de hoogstnoodzakelijke boodschappen kan inslaan.
Dan zit je daar, voor een raam, en dan komt er een kennis, Reier, naar je toe. ‘Zo Ben! Mooie kerst, niet!’ Ik kan hem nog antwoorden, want ik ben niet geheel zonder rapport: ‘Mooie witte kerst, ja, Reier!’

vrijdag 24 december 2010

Erik Desmazières

Welke Fransman heet er nu Erik? Geen een. Erik is een Noormannennaam. Maar Erik Desmazières is geboren in Rabat (Marokko) in 1948, hij woont en werkt in Parijs, en hij is momenteel de beste Franse etser. Hij werkt in de traditie van Piranesi en Dürer, zou je kunnen zeggen.
Dat klinkt allemaal niet zo voortreffelijk, in het Nederlandse kunstklimaat dat vol zit met kunstenaars die het zoeken in video’s en installaties. Zegt u zelf. Zo’n jongen wordt in Nederland direct afgeschoten, want ‘hij hoort niet bij de tijd’ enzovoorts, terwijl die jongens van de video’s wél bij deze tijd horen.
Bach, dames en heren, schreef, ook voor zijn tijd, heel ouderwetse muziek. Die muziek wordt nog steeds beluisterd. Bach’s zonen schreven veel modernere muziek. Daar kun je ook naar luisteren, maar die muziek is toch, zult u met me eens zijn, een stuk minder interessant dan wat hun vader schreef.
Misschien zou het een goed idee zijn om de hele ontwikkeling die begon met de impressionisten, weg te doen. Die ontwikkeling te zien als een stroming, met later mensen als Picasso, Braque en Kandinsky, die weliswaar soms een interessant schilderij opleverde, maar goed, elke stroming levert soms een goed schilderij op. Malevich maakt een  Zwart Vierkant (en eigenlijk zei hij daarmee: dit is het einde van de schilderkunst), en vijftig jaar later zijn er nog steeds kunstenaars die een lichtblauw of een groen doek maken.
Dergelijke verderfelijke moderniteiten zul je in het werk van Desmazières niet tegenkomen, godzijdank. Het bovenstaande werk (een ets-aquatint) is een van de zeven werken die hij heeft gemaakt van de werkplaats van René Tazé, een graveur te Parijs. U kunt die werkplaats nog vinden op de Rue René Boulanger nummer 70. Vraag is wel of die tl-balk er nog hangt, en of die er ooit gehangen heeft.

vrijdag 17 december 2010

Jan Blokker

In de documentaire over Jan Blokker kwam een familie Kalman voor, een Duits-Joodse familie die vanuit Duitsland hier naartoe was gekomen en hier onderdak had gevonden. In ’42 of ’43 verdween die familie, zonder opgave van redenen. Ja, omdat er kennisgeving was geweest in de krant. Jan was toen 15 of 16 en wist toen: die komen niet meer terug. ‘Dat wist je.’
Er woonde toen ook naast de Blokkers een soort familie Brinkman, NSB’ers. Hij noemde de naam van die familie niet, terecht, want gottogot.
Blokker noemde ook het vrolijke koninklijke tafereel van 1956, toen de koningin bijna had moeten aftreden. Alle redacteuren van de belangrijkste kranten kwamen bij meneer Drees op audiëntie, en die zei: publiceert u daarover geen woord! En ze publiceerden geen woord. Hoewel iedere snuggere Nederlander even over de grens had kunnen kijken, en Der Spiegel had kunnen lezen.
Wat Jan Blokker niet vertelde, over dit onderwerp, was dit. Het kan vijf jaar later zijn geweest, of tien jaar later, of vijftien jaar later – nog steeds had geen krant een letter gepubliceerd over dat onderwerp. Hoe is dat in ’s hemelsnaam mogelijk geweest?
Zijn bemoeienis met de VPRO Televisie lijkt me niet te groot te zijn geweest: die invloed kwam van Wim T. Schippers. Klaar, af, done.
Zijn grote invloed heeft Jan Blokker gehad met zijn stukjes, in de Volkskrant (met zijn sublieme gekanker tegen de linksigheid van de Marcel van Dammen en de verdere sociologen) en later in zijn NRC.
Wie zich nog één citaat herinnert van Jan Blokker, wordt hierbij uitgenodigd. Ik weet er niet één meer.

woensdag 15 december 2010

Leraar Nederlands

Ik zit hier nu, alleen, mijn zonden te overdenken. Het zijn er nogal wat, mea culpa. Mijn grootste zonde is deze. Toen ik een jaar of achttien was, wou ik leraar Nederlands worden. Ik had toen een vriend, S.V., die inderdaad leraar Nederlands is geworden. Ik weet niet hoe het hem vergaan is.
Hij studeerde aan de Universiteit van Amsterdam en ik las de lijst van boeken die zo’n student toen moest lezen. Die boeken had ik bijna allemaal al gelezen, alleen de Vestdijkjes kende ik niet, omdat ik Vestdijk voor een waardeloos schrijver hield.
Ik besloot toen maar niet voor een leraarschap te zullen ijveren: als je daarvoor zó weinig hoefde te presteren, kon het niet een behoorlijke betrekking zijn.
Ik heb daar altijd spijt van gehad. Ik wil natuurlijk niet beweren dat mijn lessen de onder mij vallende jeugd steeds zeer goed zouden hebben gedaan (ik zou spel- en taalfouten en grammaticale onregelmatigheden gewoon hebben laten passeren, want ‘we doen hier geen wiskunde’), maar wel zou ik één, twee of drie kinderen iets kunnen hebben bijgebracht over het schrijverschap. De belangrijkste les zou geweest zijn: je bent nooit eenzaam als je schrijft.

maandag 13 december 2010

Correspondentie (9)

Dag Max,
Met die zedenzaak in de Watergraafsmeer zal het uiteindelijk ook wel weer loslopen: dat Eberhard voorop loopt, lijkt mij bijna een bewijs dat er nagenoeg niets aan de hand is. Als er werkelijk iets aan de hand zou zijn, dan zouden de politie en het Openbaar Ministerie er over gaan, niet een slecht gecoiffeerd burgervader. Maar je weet het niet tegenwoordig, dat geef ik toe. Er zal wel weer geweldig vlot overleg zijn gevoerd binnen de driehoek. Ik onthoud me maar van elk commentaar, totdat die man voor de rechter is geweest.
Ik heb net een Molovichje gelezen in Umberto Eco’s Op reis met een zalm. Dat boekje begint met een hoofdstuk Hoe speel je voor Indiaan en dat stukje bevat bijvoorbeeld deze prachtige zin: Ren in het geval van een aanval op het Indianendorp ten prooi aan verwarring je tent uit en hol allemaal een andere kant op, waarbij je tracht de wapens te grijpen die van tevoren op moeilijk bereikbare plaatsen zijn neergelegd. Er staan ook adviezen in zoals: ga goed zichtbaar op een hoge rotspunt staan, zodat je, als je getroffen wordt, naar voren valt en te pletter slaat op lager gelegen rotspartijen.
Sommige parodieën zijn zo goed dat je de originele situatie waar die parodie naar verwijst, niet eens hoeft te kennen.
We liepen samen – nu beschrijf ik een droom die ik vorige week had. Erg betrouwbaar is mijn beschrijving niet, maar goed – we liepen samen door de mooiste gedeelten van Amsterdam.
- Kijk Max, de Martinitoren!
- De Martinitoren is in Groningen, Ben.
- Jawel, maar hij lijkt er op.
- Maar nu serieus. Waarom bevinden wij ons te Amsterdam?
- Omdat de tulpen daar vandaan komen?
- Ook. Maar vooral omdat wij tweeën eens een ernstig gesprek met elkaar moeten voeren.
- Hemel!
- Als ahum hoofdredacteur van het Wereldtijdschrift Nurks ben ik de mening toegedaan dat wij ons op een meer encyclopedisch terrein zullen moeten begeven. Daar zul je het, geheel democratisch, mee eens zijn.
- Dus dan moet ik stoppen met mijn Dirkswoud-dingetjes?
- Dat niet direct, want zo zijn we nu ook weer niet, maar ik wou jou de opdracht geven tot het verzamelen, bijeenbrengen, noteren en publiceren...
- Moment, ik schrijf het even op... noteren en publiceren. Ja?
- Van een Encyclopedie van de Heavy Metal Muziek.
- ... Metal Muziek. Juist ja! Maar daar weet ik niets van af!
- Dat mag geen belemmering zijn. Denk erom, Ben: je zit bij Nurks, en dat schept ook zekere verplichtingen.
Tot ziens, Max.

woensdag 8 december 2010

Heden ik, morgen gij

Op 14 november j.l. mailde hoofdredacteur Max J. Molovich van het Wereldtijdschrift Nurks aan zijn ondergeschikten: ‘In januari willen wij graag beginnen met de verkiezing van De Nationale Zondebok. De Nationale Zondebok neemt een jaar lang de schuld op zich van alles’ (zie voor de complete tekst WikiLeaks document nr. 00689-4732wn518).
Een verkiezing zal niet nodig zijn: ik ben volledig bereid te dienen als De Nationale Zondebok 2011. Wat personalia.
Naam: Frans (Franciscus Gemedius Maria) van der Velde.
Geboren: 13 april 1971 te Hummelo (Gld.). Nu domiciliërend te Limmen (N.H.)
Opleidingen: 4 jaar HAVO (niet afgemaakt); cursus Praktijkboekhouden (evenmin afgemaakt); cursus Werken Met Je Hart (daarop werd ik opmerkzaam gemaakt door de uitkeringsinstantie van de gemeente Montfoort (U.), ik ben er welgeteld één keer verschenen).
Getrouwd, kinderen: neen.
Welke masochist wil er nu, zult u zich afvragen, Nurks’ Nationale Zondebok van het jaar worden? Welke lulhannes biedt zich nu aan voor die post? De weinigen die mij kennen, die iets afweten van mijn levenswandel, zullen beamen dat het de beste stap is die genomen kan worden.
Het begon allemaal te Hummelo, aan de Keppelseweg. De datum was: 24 november 1979. Ik was acht jaar oud, een klein mager jochie. In die tijd werden 52 Amerikanen gegijzeld door de ayatollahs van Iran. Dat hoorde ik van meester Griefman op school, ik zag het ook op televisie. Ik besloot een daad te stellen, ik schreef een brief.
‘Aan de ayatollahs te Iran.
Geachte Heren!
Deze brief bereikt u vanuit het Gelderse Hummelo. Ik stel een gevangenenruil voor: u laat die 52 Amerikanen los, terwijl u mij vastzet. Wellicht zijn er nog meer vriendjes uit Hummelo, die ook mee willen doen.
Wees gegroet, Frans van der Velde (8 jr.).’
Och, en dat ging nog verder met de dood van CDA-staatssecretaris Van Son in 1981 en de direct daarna volgende ontploffing van de Challenger, in Amerika. God! Ik bedoel: ik! Ik was er wel zeker van dat ikzelf niets met de oorzaak van deze rampen te maken had, maar toch...?
Een mens bestaat niet alleen. Dus je kunt je niet als vanzelf lopen te verontschuldigen voor deze of gene ramp. Dat is geen masochisme, dat heet: verantwoordelijkheidsgevoel.
En het is dan ook vanuit dat gevoel dat ik u vraag (nee, smeek): benoem mij, Frans van der Velde, tot uw Nationale Zondebok van het jaar 2011. Tenzij u andere kandidaten hebt gevonden, wat mij onwaarschijnlijk lijkt.

zaterdag 4 december 2010

Een scherpzinnig betoog

‘Zij willen een scherpzinnig betoog en zij laten zich niet beetnemen,’ zei Alfons de Ridder ongeveer, te Rotterdam, in de jaren dertig of vijftig, toen hij daar een voordracht moest houden. Daarop zei Karel van het Reve in de jaren tachtig: de mensen willen zich juist laten beetnemen, Alfons! Had dat toch wat handiger gedaan, dan was je een veel groter schrijver geweest dan die eenvoudige Willem Elsschot.
Ik ben het met Karel van het Reve eens: Elsschot is na Multatuli de beste schrijver in het Nederlands. Hij zal zo lang gelezen worden als de Nederlandse taal zal blijven bestaan. We kunnen nu trouwens wel aannemen dat Karel van het Reve eenzelfde rol zal blijven vervullen. Hij is ook één van de zeldzame schrijvers bij wie je voelt alsof je een voetzoeker afsteekt, als je sommige zinnen van hem leest.
Ik wil een andere schrijver noemen: Ruth Rendell. Crime writer, dus dat kan niets zijn, zult u misschien zeggen. Rendell heeft in 1976 een boek gepubliceerd dat A demon in my view heette en dat in het Nederlands, om een of andere reden, heet: De bezeten minnaar. In dat boek zitten allerlei toevalligheden, zoals in alle crime novels, dus dat boek geeft niet een goed portret van een seriemoordenaar (zo dat ooit al zou kunnen), noch een beschrijving van de werkelijkheid. Maar welke lezer zit ook te wachten op de werkelijkheid, hij kan naar buiten kijken.
Zo’n toevalligheid is bijvoorbeeld dat die seriemoordenaar (die overigens gestopt was met dat seriemoorden: hij had een etalagepop in een kelder...) Arthur Johnson heet, en dat hij in contact komt met een Anthony Johnson, een student. Had die Clarence C. Clarke geheten, dan had die hele roman niet bestaan.
Maar ik heb dat boek toch met veel plezier gelezen, ondanks die toevalligheden. Het slothoofdstuk bijvoorbeeld had ik niet zien aankomen. Zeer goed geschreven dus.
Dit was een stukje om enig tegenwicht te bieden aan al die Tirza-liefhebbers (‘Wat is een tirza dan?’ vroeg ik me af), die van literatuur verder geen verstand hebben.