vrijdag 16 juli 2010

Op droeve toon (61)

- Dag Duifje.
- Dag Bennemans, waarom zit jij steeds naar die Tour de France te kijken?
- Ik kijk naar de interessantste bergritten op Canvas, ja. De ritten voor de sprinters en de overgangsetappes, zoals ze dat noemen, bekijk ik niet. En ik kijk ook niet op Nederland 1, want daar hebben ze een oud-wielrenner als commentator die het steeds heeft over ‘het nieuwe wielrennen’.
- In tegensteling tot het oude wielrennen?
- Ja, ik weet ook niet wat hij bedoelt. Hij laat min of meer doorschemeren dat in het oude wielrennen veel doping gebruikt werd, en dat dat nu over is in het nieuwe wielrennen, wat ik natuurlijk niet kan geloven.
- Dat lijkt me ook. Die afgesneden koppies van die wielrenners, die wilde oogjes die ze allemaal hebben.
- Ja, dat heeft allemaal niets van doen met training, dat heeft van doen met bloedtransfusies en zo. Met medicamenten die ze toevallig gevonden hebben in Minsk. Plus de maskerende medicamenten die ze gevonden hebben in Klagenfurt. Ik noem zomaar twee plaatsen.
- En toch hou je van die sport?
- Ja. Nee. ja. Toch hou ik van die dramatiek. Al sinds 1969, toen Eddy Merckx zijn eerste Tour won. Ik weet niet wat hij geslikt had. Ik vermoed efedrine.
- Ik snap het nog steeds niet, Bennemans.
- Nou, kijk, Duifje. ’s Werelds snelste sprinter, Hoeheethij Bolt, dacht jij dat hij geen vooruitstrevend middel ingenomen had? Natuurlijk heeft hij dat. In het wielrennen is het niet anders: iedere wielrenner gebruikt, zoals ze dat zeggen. Wie niet gebruikt, valt af in de Tour. Wie geen spierversterkers en bloedversterkers gebruikt, of hoe je het ook noemt, valt af. Dat aangenomen zijnde, wordt de strijd tussen de wielrenners toch weer interessant, vind ik. Het maakt me helemaal niets uit wie er wint, Contador of Schleck. Ik hoop natuurlijk dat Schleck zal winnen door een geweldige tijdrit te rijden, volgende week zaterdag. Of doordat hij een geweldige Pyreneeënrit zal winnen, dat zou helemaal mooi zijn.
- Stop, Bennemans. Wat voor muziek heb je uitgezocht?
- Ik heb een stukje van Nicholas Ludford.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen