zondag 15 januari 2012

BBZ

Dit blog is gestopt. Ik schrijf verder op BBZ.

vrijdag 11 november 2011

De primeur is van de PVV

Ik bedoel niet het wanoptreden van de heer Graus in de commissie De Wit, want dat was geen primeur: zoveel domheid en onbekwaamheid en vervolgens leugenachtigheid verwacht je van zo’n man. Ieder weet dat de man niet deugt (hij sloeg zijn vrouw ook).
Nee, ik bedoel dat de PVV nu als eerste partij laat onderzoeken hoeveel het nu kosten moet als Nederland teruggaat naar de stuiver, het dubbeltje, het kwartje, de gulden. Dat had de PvdA of D66 of GroenLinks of de SP als primeur moeten hebben, of zit men daar te slapen?
Ik durf er wat om te verwedden dat men in die partijen nu zal zeggen: dat is allemaal voorbarig van die PVV. Dat geeft maar opschudding.
Dat geeft inderdaad maar opschudding, maar op dit ene punt ben ik het volledig eens met de PVV.

vrijdag 4 november 2011

Noord-Europa

Ik heb het al eerder gezegd. Het moet er maar eens van komen, na al die strapatsen van Papandreou en Berlusconi, die toch niet van plan zijn om ook maar enigszins te gaan doen wat ze moeten doen. We moeten eens stoppen met de subsidiëring van het Zuideuropese deel. Het moet over zijn, klaar. Geen cent meer naar Griekenland, Italië, Spanje, Portugal, Frankrijk.
Minister-president Mark Rutte! Treed in gesprek met de Duitsers, de Finnen enzovoorts om uit de euro en uit de EU te stappen, en begin dan de Noord-Europese Liga, of hoe je het wilt noemen: doe dat samen met Finland, Zweden, (Noorwegen), Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Nederland, België en Luxemburg. Verzin eventueel een nieuwe munt, als dat per se moet. Laat die euro dan maar wegrotten. Desnoods nemen we de Mark of het Pond.
Wie zich bij ons wil aansluiten, moet bijvoorbeeld tien jaar lang aantonen dat ze het waard zijn. Controle door het IMF. Jaarlijkse rapportage.

vrijdag 28 oktober 2011

Mauro hier, Mauro daar

Gisteren, donderdagmiddag 27 oktober tot laat in de nacht, was politiek Nederland druk bezig de mensheid te vermaken met een debat over de prangende vraag: mag Mauro blijven of moet hij terug naar Angola? Helaas had ik ook andere dingen te doen, dus ik heb niet het hele debat, als je het zo mag noemen, gevolgd, maar het kwam er op neer dat minister Leers zei dat een gang naar het Europese Hof geen opschortende werking zou hebben, waarna iemand van, meen ik, de PvdA te berde bracht dat dat wel degelijk een opschortende werking had.
Ik heb zelf geen mening over het geval van die Mauro. Hij mag van mij best blijven. Maar ik kan me ook voorstellen dat je zegt: zus en zo zijn de regels en hij moet weg. Even goede vrienden, hoor. Je moet natuurlijk niet aankomen met een ‘aanzuigende werking’ (PVV, VVD) of met hem wegsturen naar Angola en hem daar dan een studievisum laten aanvragen die dan ‘met voorrang’ behandeld zal worden (CDA). Het is blijven of niet blijven, uit. Volgens de regels is hij na 8 of 9 jaar uitgeprocedeerd, maar minister Leers kan zeggen: je spreekt zo aardig Limburgs, jij mag blijven, blijf maar.
Een en ander werd in de Tweede Kamer van het Nederlandse parlement behandeld. Mauro was aanwezig op de publieke tribune. Hallo, Mauro!
Het ging dus niet over die Ama’s in het algemeen, het ging slechts over één jongen van 18 jaar. Tweede Kamer van het Nederlandse parlement. Of ze godverdomme niets beters te doen hebben, dacht ik. En ze zijn nog niet klaar met het geval-Mauro, want dinsdag moet er nog gestemd worden.
Dames en heren politici. Het was, dat zult u toch wel met mij eens zijn, een schandalige vertoning. Kunt u een volgende keer bijvoorbeeld over dit soort dingen debatteren?
Graag.

donderdag 20 oktober 2011

Heren luchtmachtofficieren!

U kent mijn liefde voor het CDA- en ook voor het VVD-smaldeel, u kent wellicht ook mijn kleine twijfel bij het PVV-smaldeel. Hoewel die liefde groot is, zou ik u toch willen vragen: heren criminelen!
Of laat ik het anders zeggen. Heren luchtmachtofficieren! Vliegers van dit land!
Er schijnt in de regio Den Bosch een stel paleisjes te zijn gebouwd voor de rijken van dit eens zo machtige land. Zulke paleisjes bestaan ook elders in den lande. Ze worden bewoond door de mensen die, om het zo maar te zeggen, UW pensioen NU aan het opmaken zijn.
Heren vliegers, kunt u niet naar Aerdenhout, Bloemendaal en dergelijke plaatsen vliegen, en daar precisiebombardementen uitvoeren?
Ik hoor nog van  u.

vrijdag 14 oktober 2011

Verhuizen?

Toen Alice nog leefde, had ze het over Geert Wilders. Als hij in de regering zou komen, dan zouden we naar België verhuizen. Met die blanke übermensch wou ze niets te maken hebben. Wilders zit niet in de regering, gelukkig. Dat heeft ze net niet meegemaakt, ze is vlak na de verkiezingen vorig jaar gestorven, en ik heb in die laatste paar dagen van haar leven nog volgehouden dat de PvdA zeer waarschijnlijk in de regering zou komen. Dat vond ze een goed idee, en het CDA was te klein geworden en zou samengaan met de andere christelijke partijtjes en zo zou het christendom in de politiek verpieteren.
Zo snel gaan helaas de dingen niet.
Maar verhuizen doe ik toch maar niet. Gesteld al dat ik het zou kunnen, natuurlijk.
Er verandert, ondanks die bezuinigingen waar rechts Nederland zo enorm blij mee zegt te zijn, eigenlijk niets. Ik krijg vandaag een schrijven van mijn woningbouwvereniging, die tien jaar geleden nog Bergens Woonbelang of iets dergelijks heette en die nu Kennemer Wonen heet (ik zei al: er verandert niets), waarin zij reclame maken voor een nieuwe energievoorziener, WoonEnergie, die volgens dat schrijven hoort tot de drie goedkoopste van Nederland. Ze leveren ook 100% groene energie, zegt het schrijven, hoewel iedereen weet dat gas nooit groen kan zijn en stroom ook niet. Dus ik heb dat schrijven in mijn prullenmand gemieterd.
Dat verandert dus niet in Nederland, dat soort schaamteloze campagnes.
Alice stoorde zich er wel eens aan: die leugenachtigheid, die je steeds meer in het openbaar ziet. Ik heb wel eens oude advertenties opgezocht, waarin ook van leugenachtigheid sprake was, en ik heb haar op die advertenties gewezen. ‘Ja, maar nu zie je het overal op straat.’
Dat moge waar zijn, en er is nog veel meer fout (de Wallen in Amsterdam bijvoorbeeld, of de stompzinnige behandeling van pedoseksuelen) – maar verhuizen doe ik toch maar niet.

maandag 10 oktober 2011

Rumble

Ik heb er geen spijt van, jongens. Van het sparring partnership dat ik met Cassius heb gehad. Hij heette toen al anders, maar ik mocht altijd Cas zeggen tegen hem. Kez! Ik bel hem nog wel eens, en dan zeg ik: Kez, hoe  gaat het met je? Wil het nog wat, enzovoorts. Hij ligt nu in de lappenmand natuurlijk, teveel klappen gehad. Frazier en zo. Dan praat hij wat terug over de Rumble, maar veel verstandigs komt er niet meer uit.
Maar ik heb Cassius nog meegemaakt in zijn goeie tijd: 1974. Ik was 21 jaar, nog een broekie, maar Kez had altijd een goed oog voor bokstalenten. Hij zag dat ik die typische George Foreman-slag had: die punch van rechtsvoor. Ik heb hem nooit kunnen ontwikkelen van linksvoor, links was ik een lousy bokser. Voor die punches van linksvoor had hij een andere sparring partner, een neger uit Amerika, ene Luke.
Luke en ik konden er wat van. Want Kez wou die George Foreman afmatten, hè? Dus wat had hij bedacht? Trainen tegen twee sparring partners tegelijk. Ja, verdomd, een aan de linker- en een aan de rechterkant. Wat deed Kez? Hij ging in de touwen hangen en hij beschermde zijn gezicht.  En wij er maar op los beuken! Tot we na een paar uur niet meer konden. Dan sloeg Kez ons om de beurt knock out.
Zo hebben we weken achter elkaar staan trainen, met zijn drieën. Niemand wist er iets van. Keep your big mouth shut, zei Kez ons. Daar hebben we ons aan gehouden, Luke is alweer een tijdje dood.
Ik weet nog hoe Kez me noemde: Hoedzjieboem. Want dat vond hij het meest lijken op die Foreman-punch. Ik heb hem nog wel zitten corrigeren: het is Hoagahboame, Kez. Maar dan kreeg ik gewoon een slag op mijn kin. Hij wou er niet van horen.
Toen we eind oktober in Kinshasa aankwamen, want Luke en ik mochten mee in het vliegtuig, toen moesten we een kreet bekend maken: ‘Ali Bombarie’ of iets dergelijks. En dat hebben we gedaan. Maar dat gevecht ging precies zoals Kez het wilde: hij ging in de touwen hangen en wachtte doodrustig af wat Foreman zou aanrichten. Foreman wist niets van tactiek, die bokste er op los. Het ging exact als in de training en Kez riep ook nog een keer: ‘Hoedzjieboem!’ Ik nog terugroepen: watch it, Kez! En toen kreeg hij er nog een paar toegemeten, maar in de achtste ronde sloeg hij Foreman, die totaal uitgeput was door dat vele slaan,  hupsakee knock out. Een linkse, een rechtse er overheen en de klus was geklaard.
Een groot bokser, Kez. Het was ook een gelukkige tijd. Ik heb veel klappen van Kez gehad en ik heb hem er ook veel gegeven. Maar het was voor het goede doel. The rumble in the jungle.

donderdag 6 oktober 2011

Steve dood

Steve Jobs schijnt niet de gezelligste jongen te zijn geweest om mee om te gaan. Hij was wel by far de meest intelligente, hij heeft Apple groot gemaakt. ‘We owe him a lot,’ zei P.Z. Myers, en zo is het. Zijn dood, aan alvleesklierkanker of aan leverkanker, of waarschijnlijk aan beide kankers te wijten, lijkt een beetje op de dood van mijn geliefde, Alice, die vorig jaar overleed.
Alice stierf ook aan diverse kankers. Uitgezaaide, onherstelbare ellende.
Langzamerhand begin ik er nu vrede mee te krijgen. Langzamerhand. Ik moet soms nog verschrikkelijk huilen.
Ik heb nooit aan een Mac gezeten, alleen aan een Window-toestel, maar ik weet wel: er is een groot man heengegaan. Zoals Alice het zei, een jaar voor haar dood: ‘Daar gaat er wéér een!’
Daar is er inderdaad wéér een gegaan.

maandag 3 oktober 2011

Mijn jeugd

Ik ben geboren in Limmen, acht kilometer onder Alkmaar, in 1953. Nu hoort Limmen tot de Randstad, toen was het een plattelandsgemeente. Ik schrijf dit stukje naar aanleiding van Oud Zeikwijfs stukje. Limmen was voor 90% katholiek, of nou ja, laten we maar zeggen ‘katholiek’. Je had de Corneliuskerk met eraan gebouwd het Maria Oord (een bejaardentehuis). Je had ook vlakbij die kerk de Cornelius Jongensschool en de Maria Meisjesschool. Ik zat helaas niet op die meisjesschool, maar op de jongensschool.
In mijn herinnering moesten we elke ochtend naar de kerk, voordat we naar school mochten. Die herinnering zal waarschijnlijk niet kloppen: het lijkt mij logischer en normaler dat we alleen op de maandagochtend ter kerke gingen. De Heilige Missen die dan opgevoerd werden, waren zeer vervelend. Ze werden opgevoerd door pastoor Bangert of kapelaan Beldrok, die ik op 6- of 7-jarige leeftijd al betitelde als ‘de B-figuren van Limmen’.
Die pastoor Bangert heeft zich later nog belachlijk gemaakt door bij mijn moeder te informeren hoe het nou zat met het kindertal. Ze had toen al 5 of 6 kinderen gemaakt en ze had net een mislukte zwangerschap achter de rug. Ze heeft de pastoor het huis uit gescholden, heeft ze me later verteld.
Ik was de oudste, nadat mijn anderhalf jaar oudere broer toen hij 4 jaar was geworden, aan leukemie overleed. Ik weet niets van die oudere broer, ik heb alleen een fotootje van hem gezien, ik heb ook nooit iets aan mijn ouders gevraagd. Hij heette Jaap, genoemd naar mijn opa van vaderskant, zoals ik Engelbertus (Ben) werd genoemd, naar mijn opa van moederskant. Dat mijn ouders mij Ben en niet Engel hebben genoemd, beschouw ik nog steeds als een zegen, en ook als een teken dat ze het met dat katholicisme een stuk makkelijker opnamen dan de vorige generatie.
‘De Hoogeboompjes kunnen allemaal goed leren’ – dat was algemeen bekend. We haalden allemaal, zonder uitzondering, de hoogste cijfers op school. Achten, negens, tienen voor taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis enzovoorts. Alleen de gymlessen waren niet aan ons besteed, en we zijn nog steeds een beetje stijve harken, allemaal.
Ik heb in mijn Lagere Schooltijd één keer gevochten, tegen een puisterig kereltje dat zich die vechtpartij nog best zal weten te herinneren. Meester Duikersloot, het hoofd der school, haalde ons uit elkaar. Ik moest toen, omdat ik de agressor was, het schoolplein aanvegen. Daarna heb ik nooit meer mijn hand opgeheven tegen iemand. Ik heb ook een keer een paar dubbeltjes gestolen uit de jaszak van tante Tiny, die op bezoek was, thuis, en die het merkte en er iets van zei. Nooit heb ik meer iets gestolen.
Later ging ik naar de middelbare school te Alkmaar, waar ik aanvankelijk ook alleen maar hoge cijfers haalde. Ik deed mijn best, elke dag, ongeveer totdat ik 17 jaar werd. Toen ging het mis. Op school, thuis, overal ging het mis.
Ik weet nu waardóór het mis ging en mis bleef gaan. Een rijke wetenschap.

zaterdag 1 oktober 2011

Nieuw volkslied

Behalve bij het nationale voetbalelftal, waarbij elk volkslied misplaatst lijkt, is het Wilhelmus toch een min of meer uit de tijd geraakt dingetje. Het kan beter, en het moet ook beter, dames en heren van Oranje en van de VVD.
Moderner. Dat kan.
Hollandser? Dat kan ook.
Niet schrikken, dames en heren. Er is geen tekst, er is alleen muziek.
Deze muziek.

woensdag 28 september 2011

Oude vrouwtjes

Ik krijg zojuist het nieuwste broodje aapverhaal binnen. Het is weer een oud vrouwtje dat erin figureert, en het wordt verteld door iemand die het zelf heeft meegemaakt, dus hoe kun je daar nu aan twijfelen?
Het verhaal speelt in de buurt van Eindhoven, in 1944. Eindhoven werd in 1944 bevrijd. Na vier jaar bezetting dus, en niet na vijf jaar, zoals de verteller zegt, maar dat maakt hem alleen maar geloofwaardiger.
Als iemand nog meer verhalen weet over een oud vrouwtje met een baksteen in haar handtasje, bijvoorbeeld een verhaal dat in Joegoslavië of Rusland speelt, dan houd ik me aanbevolen.

maandag 12 september 2011

War pigs

War pigs is een anti-oorlogsliedje van het ensemble Black Sabbath. Het stamt uit 1970, van hun elpee Paranoid. Het wordt door vele liefhebbers van het genre hét anti-oorlogslied en ook dé heavy metalsong gevonden. Het genre begon zeg maar met War pigs.
Het aardige van dit lied is dat de zanger van het ensemble, Ozzy Osbourne (die toen nog veel minder vervelend was dan hij later zou worden), in 1970 de studio binnenstapte met het nummer Walpurgis, dat over heksen en zo ging. Dat hebben ze toen samen in de studio omgewerkt tot dit anti-oorlogslied. Heel verstandig, want je had toen nog de oorlog in Zuid-Oost Azië, met die napalm en dat naakte Vietnamese meisje dat huilend wegrende en die collaborerende Zuid-Vietnamese politiechef die zomaar midden op straat een Vietcong-strijder executeerde. Daar moest tegen geprotesteerd worden, dat begrijpt u wel, en toen die oorlog eenmaal beëindigd was, toen moest er iets anders op gevonden worden en toen hebben ze er op de video beelden van de Tweede Wereldoorlog bij gezet.
Het ultieme anti-oorlogslied, dat wilt u natuurlijk met mij meevoelen.
Een ander leuk ding, is dat het 2001 Clear Channel memorandum kort na 9/11 een lijst van 165 liedjes bevatte met questionable lyrics, waaronder ook War pigs. Clear Channel was eigenaar van meer dan 1200 Amerikaanse radiostations, en ontkende uiteraard het bestaan van die lijst.

zaterdag 10 september 2011

Twee minuten drukte

Ik werkte op een drukkerij (Drukkerij Van Meersen) te L., 10 kilometer van mijn huidige woonplaats die ook mijn toenmalige woonplaats was. Ik reed ’s ochtends op mijn Zündapp de 10 kilometers naar mijn werk, en ’s avonds reed ik ze weer terug, onderweg stoppend bij een kleine supermarkt te H., waar ik mijn inkopen deed. Met die inkopen maakte ik mijn maaltijden, en ’s avonds genoot ik thuis van Bach, Byrd, Gontsjarov of Toergenjev. Bij muziek van na 1750 of literatuur van na 1860 voel ik mij niet senang, dus dat lees ik niet en beluister ik niet. U begrijpt wel dat een leven tussen radio’s met knetterharde moderne popmuziek not my cup of tea is. Het ging jaren achtereen goed, totdat het kleine supermarktje te H. ophield te bestaan, en ik genoodzaakt was een ander adres te zoeken. Ik vond, met ongeveer één kilometer omrijden, te A. een supermarkt.
Nu lijd ik aan heimwee. Ik ben geboren in het kleine W., hier 6 kilometer vandaan, waar ik nog steeds elke stoeptegel ken. Voor een zetter (want dat was mijn beroep, zouden ze in oude boeken schrijven) is die heimwee geen probleem. Een licht-neurotische, introverte persoonlijkheidsstructuur en een planmatige kijk op het leven zijn daar zelfs welkom, en een zetter moet niet houden van onverwachte wendingen. Ik was dus een gewaardeerd medewerker.
Een probleem was die heimwee alleen in de zomertijd. We hadden drie weken vrij en dan moest je toch erna vertellen waar je niet allemaal was geweest. Ik moest me dan ook dwingen om op mijn Zündapp naar ‘het wonderschone Hollum, ‘het betoverende Geuldal’ of ‘het feeërieke Vechtlandschap’ te rijden. De anderen die bij Van Meersen werkten, waren dan wel naar Griekenland, Spanje of zelfs naar de Bovenwindse Eilanden geweest, ik zocht de schoonheid vooral in eigen land, zei ik, en ik verzon nog enige landschappelijke bijzonderheden, musea en bruine kroegen waar ik was geweest, en waarvan ik niet ophield vooral de authentieke sfeer te noemen.
De baas van de drukkerij heette Peter van Meersen. Wegens zijn zoetelijke geneuzel (‘doen jullie dit werk wel goed, jongens?’ enzovoorts) werd hij door ons ook wel Pater van Meersen genoemd. Peter woonde met zijn vrouw (het paar had geen kinderen) in een huis naast de drukkerij.
Toen ik weer eens van vakantie op het werk terugkeerde, met mijn verhalen als steeds klaar over ‘de prachtige streek rond Ommen’, waar ik weer vele kleinigheden aan had weten toe te voegen, bleek dat meneer Van Meersen een dag eerder was vermoord: hij was vóór zijn drukkerij overreden, waarschijnlijk door een auto, die was doorgereden.
We werden uiteraard allemaal gehoord door de politie. Mijn Zündapp werd ook bekeken op bloedsporen, maar die zaten er natuurlijk niet op. Ik kon bovendien een adres in Ommen geven, zodat ik een perfect alibi had. Na twee minuten waren ze met me klaar.
Je moet jezelf dwingen, zeg ik altijd. Dat is me deze keer ook prima gelukt.

dinsdag 6 september 2011

Teennagels

Een jaar of dertien geleden lag ik, geheel ten onrechte overigens (ik had een klein herseninfarctje gekregen, een dingetje waarvan je ook thuis weer kunt herstellen), in het Alkmaarse ziekenhuis. Zaal van zes patiënten: vier oudere vrouwen en rechts naast mij een oudere man. Die vier vrouwen hadden allemaal een hartprobleem (zeiden ze tenminste, steeds, steeds maar weer: hoe het komt dat vrouwen de beste patiënten worden genoemd, zal ik nooit kunnen achterhalen. Vrouwen kunnen beter tegen pijn, zeggen ze. Ik weet niet of dat klopt. Ze zaniken er wel meer over).
De oudere man in het bed rechts van mij klaagde al anderhalve dag: ‘Ik kan niet pissen!’, dus u begrijpt wel in hoe een treurige omstandigheid ik mij bevond. Ik zei nog wel: ‘Dan moet u de zuster even bellen!’ Dat deed hij ook, de volgende dag, en er werd iets aan gedaan.
Ik heb in die dagen wel de hele Perec gelezen, een groot geluk. Ik had ook het boek Typefinder bij me, bekend bij ontwerpers en zetters, waar ik ook af en toe in keek.
Na twee dagen begon de oudere heer praatjes met me te maken. Hij vertelde me over de invloed van de Vikingen op het dorpsgevoel. Of zoiets. Veel heb ik er niet van onthouden. Hij ging dan recht zitten, en begon: ‘De Karpaten zijn een gebergte...’ of ‘De Oostzee is een verkeerde naam.’ Ik was dan zeer geneigd om uit te roepen: ‘Net als de Noordzee, meneer!’, maar ik hield me in.
Het liep er allemaal op uit dat hij me zijn Vikinger kentekenen zou vertonen: zijn nagels aan de kleine tenen, die hij al twee jaar niet had geknipt en waar hij ‘evengoed op kon lopen’.
De man is overleden, een week geleden, dus kan ik er nu over vertellen.

vrijdag 2 september 2011

Iets in mijn keel

Ik was gistermiddag in de poli van het ziekenhuis omdat er iets in mijn keel zat dat er niet uit wilde: een stukje kip. Ik had alles geprobeerd: mezelf tot kotsen brengen, veel water drinken etc., maar helpen deed het niet.
In de wachtkamer zaten een vrouw van ongeveer mijn leeftijd (‘maar dan iets jonger’) en haar ongeveer negenjarig zoontje. Ze zaten naast mij, ik ging zitten en zei: ‘Hallo.’
‘Die meneer zegt hallo,’ moedigde de vrouw haar zoontje aan.
‘Hallo,’ zei hij.
‘En hoe heet jij? Ik heet Ben.’
‘Zo heet mijn vroegere vriendje ook. Ik heet Gerard.’
‘Dan zul je wel vaak genoeg gehoord hebben dat je Géér genoemd werd, wed ik.’
‘Nee hoor. Ze noemen mij op school Peer.’
‘Ze noemden mij op school vroeger Kaas, en dat sloeg ook nergens op. En later, toen ik negentien twintig was, noemden ze me Hasj. Dat sloeg ook nergens op, maar ik had toen lang haar, en dan dachten ze dat ik wel hasj zou gebruiken. Dat denk ik tenminste. Maar waarvoor ben je hier?’
‘Ik heb een stuk vlees ingeslikt en dat zit nou vast.’
‘Aha! Ik zit met hetzelfde. Niet genoeg gekauwd en toch hupsakee doorgeslikt.’
‘Precies,’ was het stellige antwoord van het jongetje.
‘Dan ben je hier aan het goede adres, Gerard. Ze weten hier wat ze er aan moeten doen.’
‘Wat dan, meneer?’
‘Dat zal ik je zeggen, Gerard. Het klinkt eng, maar uiteindelijk is het heel normaal. Ze brengen een slangetje in je keel aan, dat klinkt eng natuurlijk, maar ze vragen dan eerst of je een verdoving wil hebben. Nou, daar heb ik nog nooit een verdoving voor willen hebben. Gewoon: als ze die slang in je keel stoppen, dan moet je niet je adem inhouden, maar juist inademen. Onthoud dat: stevig inademen!’
‘En dan?’
‘En dan duwen ze als het ware dat stuk vlees je maag in, en klaar ben je!’
‘En er zit niks aan die slang? Geen scherpigheid?’
‘Nee hoor. Ik heb het al drie keer meegemaakt. Inademen en dan zegt de zuster: goed gedaan, meneer.’
Opgelucht ging Gerard even later mee met een zuster, en nog opgeluchter keerde hij na vijftien minuten terug. ‘Oké!’ zei hij.

vrijdag 12 augustus 2011

Het bureau

Toen ik nog werkte als zetter in een drukkerij (‘Dat is toch een veel te lage baan voor jou,’ zei iemand eens, waarop ik antwoordde: ‘Wat moet ik dan anders gaan doen?’ ‘Maar je leest zoveel!’ ‘Ja, maar dat doe ik voor mijn plezier,’ zei ik) waren er twee dingen waar ik me mee bezig hield. De klanten die een krantje of een folder moesten hebben en die naar mij gestuurd werden, wat ik altijd zeer prettig vond: na een kort gesprekje over dat krantje of over die folder wist ik meestal wat voor lettertype en indeling ze gehad hadden willen hebben. Het tweede was de overhang van de letters (dat noemen ze tegenwoordig de kerning), die ik voor alle lettertypen die in huis waren wilde automatiseren. Denkt u maar eens aan een woord als KETELVISSERS. Het zou beter zijn als er tussen die L en die V iets minder ruimte zou zitten. Dat verbetert de leesbaarheid.
De drukkerij groeide gestaag en er werd een ‘werkvoorbereider’ aangenomen. Een werkvoorbereider is iemand die niets toevoegt aan het productieproces, maar die aan een bureau zit en de klanten ontvangt. Hij is het porum van de drukkerij, zei de baas. Sja. Het gevolg was dat ik niet meer rechtstreeks met de klanten praatte over hun folders of kranten. Het gevolg was ook: diverse fouten en vergissingen, door dat gebrek aan contact.
Die werkvoorbereider kwam op een gegeven moment bij me, want hij had een stuk opgesteld waarin puntsgewijs werd gezegd hoe het in een drukkerij zou gaan. Dat stuk moest ik even zetten. Ik las dat stuk en sloeg achterover van de domheid. Ik ging naar de baas en zei: ‘Hier is een stuk van je oen. Ik weiger dit soort onzin te zetten. Ik verdom het om mee te werken.’
Deze gebeurtenis doet me denken aan deel 3 van J.J. Voskuil’s Het bureau, het beste deel van de zeven, naar mijn smaak. Ik heb de afgelopen week, liggend in een ziekenhuisbed met een kleine nierinfectie, de eerste drie delen van Het bureau weer eens herlezen. In dat deel 3 beschrijft Voskuil hoe hoofdpersoon Maarten Koning steeds maar weer aanloopt tegen het contact met andere mensen op zijn bureau. Hij is daar voortdurend zeer ontevreden over, heeft hoofdpijnen, maagpijnen etc. Hij heeft ruzies, maar is ook daar ontevreden over.
Toen ik dat zo’n vijftien jaar geleden voor het eerst las, ‘herkende’ ik zoveel dingen. Niet in dat bureau an sich, want daar hield men zich bezig met de zeis, de wieg, de ploeg, of men een trouwring rechts of links draagt etc. Men maakte zich dik door ‘wetenschappelijk’ over zulke tradities te praten en te schrijven.
Maarten Koning had er geen hoge hoed van op. Hij had ook geen grote dunk van zijn medewerkers op het Bureau. Het had allemaal geen zin, vond hij. ‘Als je ons bureau ziet als een inrichting, wordt vanzelf al het andere normaal,’ zegt hij ergens.
Datzelfde had ik kunnen zeggen over de drukkerij. Ik had minder moeite dan Maarten Koning met de contacten met mijn medemensen, ik werd alleen laaiend als er weer meer bureaucratie werd toegevoegd of als er weer iemand met huiveringwekkende domheid kwam aanzetten.
Ik deed mijn overhang-werk ’s avonds. Totdat ik in een diepe depressie belandde, geraakt door het onzinnige van mijn werk.

dinsdag 12 juli 2011

Zelfbeeld

‘Dit heeft mijn zelfbeeld zó veranderd!’ hoor ik sommige dames (en heren, helaas ook) uitroepen. Ze kijken teveel in de spiegel, denk ik dan.
Een ‘zelfbeeld’ is al iets wat ik niet heb van mezelf. En zomaar veránderen doet dat zelfbeeld al helemaal niet. Waar denkt u aan bij een ‘zelfbeeld’? Ik denk dan aan grijze haren, een baard, een bril, mijn hersenen, mijn taalgevoel.
Maar bij TLC (een nieuwe omroep, die helaas ’s avonds Animal Planet vervangt) bestaat het nog: je zelfbeeld verándert zomaar! Ze lieten bijvoorbeeld zien hoe een jonge vrouw middels ademhalingsoefeningen er weer bovenop kwam, na een interventie van een zeer blanke politieagente: ‘Justice has been done.’ Ik weet niet wat haar overkomen was, een verkrachting, een aanranding of een gebbetje.
Whatever. Zoiets zou toch niet je ‘zelfbeeld’ (wie dat woord heeft verzonnen, zou gevangenisstraf moeten krijgen) moeten veranderen, maar bijvoorbeeld het beeld dat je van bijvoorbeeld Turken of Somaliërs of Nederlanders of Duitsers had?
Als je primitief denkt, bedoel ik.

dinsdag 5 juli 2011

Zelf abstracte kunst maken

In 1985 woonde ik in een zomerhuisje achter een kunstgalerie. Ik woonde er mooi, het was er zeer rustig, midden tussen de groenten, het gras met wat bloemen en onkruid en een paar bomen. Ik had een zeer lieve buurvrouw, met wie ik wel wat had willen aanvangen, maar dat ging niet door: ze was lesbisch. De eigenaar van de kunstgalerie was zelf ook kunstenaar en een man die niet kon schrijven, maar wel kon rekenen. Ik hielp hem vaak (hond uitlaten, passen op de galerie als hij even weg moest, stukjes schrijven over de exposerende kunstenaars, voor de krant, en later ook voor het eigen maandblad).
Het is jammer dat er niets meer over is van die tijd: de galerie is in 1997 of ’98 failliet gegaan, en van dat maandblad heb ik ook niets meer in huis. Ik sprak veel met de regionale kunstenaars, ik bezocht ook hun ateliers, en dat doe ik nu ook niet meer. Dat is eigenlijk jammer, want ik vond het, bijna zonder uitzondering, zeer aardige mensen, ook als hun werk me niet aanstond.
1985 was het Jaar van De Vele Pottenbakkerij, het was ook het Jaar van de Abstracte Schilderkunst. Tenminste, in Noord-Holland. Het was het jaar waarin je kunstkenners kon horen zeggen: ‘Dat oranje in een Mark Rothko... hemels!’ Dat ik zulke mensen niet meer in mijn kennissenkring heb, bedroeft mij veel minder.
Er kwamen in de galerie toen geregeld mensen van het KCB (Kunstenaarscentrum Bergen) buurten. Ze kochten nooit iets, maar ze dronken wel je koffie op, gingen langs de schilderijen en hadden dan geleerde commentaren zoals: ‘Tja. Dit werk is, lijkt mij, hoe zal ik het eens zeggen, niet consequent genoeg.’ Ik hoorde dat dan en ik was beleefd, dus ik zei er niets op terug, maar ik dacht wel: stik toch in je consequentie!
Ik besloot toen dat het tijd was om de dames en heren er eens in te laten tuinen. ‘Peter,’ zei ik (Peter was de galeriehouder), ‘geef mij tien lijstjes, maat: ruim A4. Met tien passe-partouts. Tien vellen stevig papier. Een stuk of wat kleuren acrylverf, een kwast en een liniaal!’ Dat gaf Peter me, ik kon aan het werk. Ik ging abstracte kunst maken. Hoe doe je dat dan, zult u vragen. Het is werkelijk zeer simpel: knijp een paar kleurtjes uit op je papier, roer er een beetje in met je kwast, en beweeg je liniaal in de kleuren, totdat je denkt: dit kunstwerk is klaar! Zo vervaardigde ik, met groot plezier, tien abstracte kunstwerken. Het schilderproces duurde niet langer dan een half uur. Ik legde die tien vellen buiten in de zon, en toen aan het einde van de dag alles droog was, ondertekende ik de tien vellen met: ‘A. Petrescu, 1965 – No title’.
Ik had een persoon bedacht, Andrej Petrescu, een Roemeen (ik dacht: daar weten de mensen niets van, van Roemenië) en kunstschilder, die zijn land was ontvlucht en naar Parijs was vertrokken. Zijn zaakwaarnemer, een Fransman van Galerie La Boucle te Parijs, was met tien van zijn werken naar Egmond aan den Hoef gekomen, waar ze geëxposeerd zullen worden van zo laat tot zo laat.
Ik schreef ook een uitnodigingsbrief aan het KCB: kom vooral langs voor deze Petrescu! Geweldig werk, dat ook nog eens zeer goedkoop is! Voorts schreef ik in mijn Boerenfrans, Engels en Nederlands een c.v. van Petrescu, met zinsneden zoals ‘Het MOMA te New York heeft in juli 1982 vier werken van A. Petrescu aangeschaft, waaronder zijn beroemde Verwoesting.’
Peter richtte zijn galerie in met mijn tien kunstwerken en met, meen ik, pottenbakwerk van weer iemand anders. De mensen van het KCB kwamen, dronken koffie, en waren overdonderd door het werk van Petrescu. Vlot kochten ze er acht van, voor in totaal f 1200,-. Peter en ik deelden de opbrengst, en we gingen, met onze uitgestreken gezichten, naar de kroeg.
Ik heb er nog één van, van die tien kunstwerken. U moet maar eens langs komen.

Vitamine C

Het komt steeds maar weer op: vitamine C is goed voor je. Minder dan een halve eeuw geleden was het goed tegen kanker. Daar was het dus niet goed voor, want je kon je beter laten opereren.
Nu is het weer een blaasontsteking, waaraan een overigens zeer geëerd lidmate soms lijdt. Daartegen helpt vitamine C natuurlijk ook niet: zie dit artikel.

Limburg

Ik heb het al eerder gezegd: een provincie zoals Limburg hoort nauwelijks bij Nederland, die hoort meer bij België. Dat aanhangsel  van Nederland moet er dan ook maar aan geloven, lijkt mij. Vlamingen, Belgen! U krijgt van ons, om niets, het economisch superactieve Zuid-Limburg, onder de lijn Thorn-Roermalen. Dus u verkrijgt dus alles, tot en met Klein Kuttinge, het zuidelijkst gelegen dorpje.
Daarvoor in de plaats hoeft u niets te doen, u hoeft geen regering te vormen of zo. Welnee. Zegt u gewoon maar: ja.