vrijdag 11 maart 2011

Hoe ik een atheïst werd

Op mijn zesde jaar moest ik elke dag van de week naar de kerk, voordat ik naar school ging. Het was een zeer vervelende bezigheid. Wat ons daar verteld werd, in die kerk, weet ik me niet meer te herinneren, maar een paar dingen weet ik nog wel. Eén. Pastoor Bangert was een oude neuzelaar, die mij vast niets meer kon vertellen. Dat wist ik op die leeftijd al wel. Twee. Die kerk heette de St. Corneliuskerk (het was in Limmen, N.H.). Waarom heette die kerk naar die Cornelius, wilde ik weten. Allerlei navraag (bij mijn ouders, bij mijn onderwijzeres) leverde niets op.
Dat dagelijks naar de kerk gaan, ’s ochtends, duurde geloof ik twee jaar. Niet langer. Toen was het over, godzijdank. Daarna moesten we alleen ’s zondags nog naar de kerk, voor weer een vervelende Mis.
Wat ik me altijd heb afgevraagd: waarom draagt de clerus zulke rare kleren? Waarom dat gestrooi met wierook? Waarom dat gedoe met die hosties? (Die overigens naar niets smaakten. Ze hadden er een abrikozensmaakje aan kunnen geven.) Waarom moest je in godsnaam knielen? En waarom waren die kerkbanken zo godverdommes oncomfortabel? Wat hadden die biechtstoelen met het geheel uit te staan, waarin je loog wat je misdaan had? Wat doen die misdienaars daar, en die acolieten? Waarom zaten nu de dames links en de heren rechts? Waarom zaten ze niet gewoon door elkaar?
Met andere woorden: mijn atheïsme  kreeg vorm op mijn zesde jaar. Ik heb nooit geloofd in den Here Jezus. Ik dank hiervoor mijn ouders, mijn zusters en broer, en mijn vrienden, die er ook niet in geloofden. Iedereen had er zát van, en ik spreek nu over 1960-1965.
Ik denk dan ook helemaal niet dat de revolutie is begonnen in Amsterdam, met de provo’s of de studentenrellen enzovoorts. De revolutie was al begonnen, eerder, in de dorpen (en ook in Amsterdam natuurlijk) met het weggooien van het christendom.
Later kreeg mijn atheïsme écht vorm toen ik de bijbel ging lezen en daarin de meest onwaarschijnlijke zaken tegenkwam, en toen ik bijvoorbeeld dingen kwam te lezen over biologie en astronomie, waarin ik ook de meest onwaarschijnlijke dingen tegenkwam, maar dat waren dingen die verkláárd werden. Dat zul je nooit zien bij de theologen. Bij de theologen worden de dingen niet verklaard, maar zoeken ze naar een verklaring per mirakel.
En mirakels komen niet voor.
Er is bijvoorbeeld een besnuffelde Nederlander die een ark van Noach heeft gebouwd, waarom weet ik ook niet. Ik zou die man willen vragen: hoeveel insectensoorten zoudt u in uw ark kunnen plaatsen? Er zijn zo’n vier miljoen insectensoorten bekend, meen ik. Het kunnen er ook veertig miljoen zijn. Maar laat ons zeggen: één miljoen insectensoorten. Er is dan weinig rekenwerk nodig om te stellen dat die Ark van Noach ontstéllend groot moet zijn geweest. Alleen voor die insecten. Neem er de vogels bij. Neem er de dinosauriërs bij. Neem er de, ach kom.
Het wordt alleen maar treuriger, dat geloof in de Heer. Alleen maar treuriger. Maar: wie erin wil geloven (niet in Thor, of Isis, of Baäl), hij gelove maar door. Het is niet voor niks dat alle christelijke partijen zo op hun flikker hebben gekregen en zullen blijven krijgen. Terecht.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen