donderdag 10 maart 2011

Alice

Alice is nu bijna negen maanden dood. Ik ga u niet vertellen wat een verschrikkelijk leuk mens het was, dat weet iedereen die met haar contact heeft gehad. Het vreemdste is, vind ik, hoe ik ruim vier jaar geleden in contact met haar kwam. Dat kwam door een stukje, op een vorig blog, dat ik schreef over een hakmoord in Roosendaal. Daar reageerde ze op, daar reageerde ik weer op en zo ging dat verder. Je zou bijna zeggen: dank u wel, hakbijlmoordenaar!
Een half jaar later kwam ze (ze was getrouwd, maar hoe het met haar huwelijk ging, heb ik haar nooit gevraagd. Ik ben geen huwelijksbreker) naar mij toe, in Egmond aan Zee. En ze kwam vaker. En vaker. Eerst kwam ze voor een dagje. Later kwam ze voor een week. Later kwam ze voor een maand. Ben je dan nooit naar haar toegeweest?, vraagt u. Nee, nooit. Dat had deels te maken met mijn heimwee, die maakt dat  ik na dertig kilometer buiten mijn woonplaats mijn hart voel rammelen (zoals tijdens onze tocht naar Amsterdam in november 2008, een geweldige opgave, vond ik, maar die wel goed afliep), en deels ook omdat ik wel wist dat het bij haar thuis niet helemaal pluis was.
Toen ze bij me kwam wonen, acht weken voor haar dood, hebben we nog een paar familieleden van me bezocht. Jaap, in Limmen, waar men bezig was met de geurige hyacinthen, en Marja in Alkmaar. Ik had nog wel meer zussen willen bezoeken met Alice, en Alice wou dat ook wel, maar het ging niet meer. Ze kon niet meer op haar benen staan. Ze was op haar einde.
Toen de laatste twee weken aanbraken, moesten de dingen georganiseerd worden: de huisarts, de oncologische thuiszorg enzovoorts. Vooral die thuiszorg was formidabel goed: je kon ze dag en nacht bellen en dan kwamen ze ook meteen. Ik weet nog dat Alice haar poep niet kon ophouden, dus het ziekenhuisbed (dat midden in de kamer stond) onderscheet, en dat ik zei: ‘Dat is niet erg, joh, dat ruimen we zo op.’ Ik de boel schoonmaken, even later bellen en drie minuten later stond er een verpleegster aan de deur. Want ik wist niet hoe ik dat bed weer schoon moest krijgen en hoe ik Alice weer in dat bed moest krijgen.
Alice was toen al helemaal hulpbehoevend. Ze at ook al weken niets meer, behalve een soepje (een paar lepels) en, een dag voordat ze stierf, een mergpijpje, want daar zat nog een abrikozensmaakje aan. De huisarts had me een paar gram hasj gegeven, zodat ik die klaar kon maken en zodat ze die kon opdrinken. Dat ging met een rietje, dat half was afgesneden, want meer kracht had Alice niet.
De laatste dag zei Alice me: ‘Ben, ik heb zo’n pijn!’ Ik belde mijn huisarts, die kwam en gaf haar een spuit in haar billen. Later op die dag kreeg ze nog een spuit. Later op die dag kreeg ze nog een zetpil ingebracht. En toen was ze dood.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen