maandag 3 oktober 2011

Mijn jeugd

Ik ben geboren in Limmen, acht kilometer onder Alkmaar, in 1953. Nu hoort Limmen tot de Randstad, toen was het een plattelandsgemeente. Ik schrijf dit stukje naar aanleiding van Oud Zeikwijfs stukje. Limmen was voor 90% katholiek, of nou ja, laten we maar zeggen ‘katholiek’. Je had de Corneliuskerk met eraan gebouwd het Maria Oord (een bejaardentehuis). Je had ook vlakbij die kerk de Cornelius Jongensschool en de Maria Meisjesschool. Ik zat helaas niet op die meisjesschool, maar op de jongensschool.
In mijn herinnering moesten we elke ochtend naar de kerk, voordat we naar school mochten. Die herinnering zal waarschijnlijk niet kloppen: het lijkt mij logischer en normaler dat we alleen op de maandagochtend ter kerke gingen. De Heilige Missen die dan opgevoerd werden, waren zeer vervelend. Ze werden opgevoerd door pastoor Bangert of kapelaan Beldrok, die ik op 6- of 7-jarige leeftijd al betitelde als ‘de B-figuren van Limmen’.
Die pastoor Bangert heeft zich later nog belachlijk gemaakt door bij mijn moeder te informeren hoe het nou zat met het kindertal. Ze had toen al 5 of 6 kinderen gemaakt en ze had net een mislukte zwangerschap achter de rug. Ze heeft de pastoor het huis uit gescholden, heeft ze me later verteld.
Ik was de oudste, nadat mijn anderhalf jaar oudere broer toen hij 4 jaar was geworden, aan leukemie overleed. Ik weet niets van die oudere broer, ik heb alleen een fotootje van hem gezien, ik heb ook nooit iets aan mijn ouders gevraagd. Hij heette Jaap, genoemd naar mijn opa van vaderskant, zoals ik Engelbertus (Ben) werd genoemd, naar mijn opa van moederskant. Dat mijn ouders mij Ben en niet Engel hebben genoemd, beschouw ik nog steeds als een zegen, en ook als een teken dat ze het met dat katholicisme een stuk makkelijker opnamen dan de vorige generatie.
‘De Hoogeboompjes kunnen allemaal goed leren’ – dat was algemeen bekend. We haalden allemaal, zonder uitzondering, de hoogste cijfers op school. Achten, negens, tienen voor taal, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis enzovoorts. Alleen de gymlessen waren niet aan ons besteed, en we zijn nog steeds een beetje stijve harken, allemaal.
Ik heb in mijn Lagere Schooltijd één keer gevochten, tegen een puisterig kereltje dat zich die vechtpartij nog best zal weten te herinneren. Meester Duikersloot, het hoofd der school, haalde ons uit elkaar. Ik moest toen, omdat ik de agressor was, het schoolplein aanvegen. Daarna heb ik nooit meer mijn hand opgeheven tegen iemand. Ik heb ook een keer een paar dubbeltjes gestolen uit de jaszak van tante Tiny, die op bezoek was, thuis, en die het merkte en er iets van zei. Nooit heb ik meer iets gestolen.
Later ging ik naar de middelbare school te Alkmaar, waar ik aanvankelijk ook alleen maar hoge cijfers haalde. Ik deed mijn best, elke dag, ongeveer totdat ik 17 jaar werd. Toen ging het mis. Op school, thuis, overal ging het mis.
Ik weet nu waardóór het mis ging en mis bleef gaan. Een rijke wetenschap.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen